Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Planregeling huisvesting arbeidsmigranten in strijd met evenredigheidsvereiste Dienstenrichtlijn

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) oordeelt in haar uitspraak van 10 december 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:6007) dat de planregeling die onder meer voorziet in regulering van de huisvesting van arbeidsmigranten en seizoenarbeiders in strijd is met het evenredigheidsvereiste van art. 15, derde lid, aanhef en onder c, Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG).

19 December 2025

Om te voorkomen dat arbeidsmigranten en seizoenarbeiders zich door middel van kamergewijze verhuur vestigen in een woonwijk of hun intrek nemen in recreatieve voorzieningen had de gemeenteraad een paraplubestemmingsplan vastgesteld met daarin een algeheel verbod voor de kamergewijze verhuur van de panden. De planregeling bevat twee afwijkmogelijkheden van dit verbod, waarvan één specifiek voor het onder voorwaarden toestaan van huisvesting van seizoenarbeiders. Om af te kunnen wijken van het generieke verbod geldt als voorwaarde dat de huisvesting van seizoenarbeiders in overeenstemming moet zijn met het als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen toetsingskader. In reactie op aangevoerde beroepsgronden stelt de Afdeling vast dat vanwege de territoriale beperking van de verhuurmogelijkheden binnen het plangebied de Dienstenrichtlijn van toepassing is. Eisen die onder de Dienstenrichtlijn vallen en die dienstverrichters direct of indirect discrimineren zijn in strijd met art. 15, derde lid, aanhef en onder a, Dienstenrichtlijn, aldus de Afdeling; deze kunnen niet gerechtvaardigd worden (vgl. de Afdelingsuitspraak van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2834). Eisen die aan dienstverrichters gesteld worden en die niet op voorhand verboden zijn, moeten in overeenstemming met art. 15, derde lid, aanhef en onder b en c, Dienstenrichtlijn gerechtvaardigd worden. Dit houdt in dat de eisen noodzakelijk moeten zijn wegens een dwingende reden van algemeen belang en ten opzichte van dat belang evenredig moeten zijn. Hoewel niet tijdig omgezet naar nationaal recht, hebben beide eisen in dit geval rechtstreekse werking (vgl. het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 januari 2018, Visser Vastgoed, ECLI:EU:C:2018:44). Naar het oordeel van de Afdeling heeft de gemeenteraad de noodzaak van de planregeling - die strekt tot bescherming van het woon- en leefklimaat in het plangebied - toereikend gemotiveerd. Dit geldt niet voor de evenredigheid van de afwijkingsbevoegdheid die specifiek is gericht op seizoenarbeiders: weliswaar is de term seizoenarbeider in de betreffende bepaling neutraal geformuleerd (ongeacht nationaliteit), maar treft deze in feite - zoals ook blijkt uit het toe te passen toetsingskader - hoofdzakelijk arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa. Aldus maakt de regeling naar het oordeel van de Afdeling een indirect onderscheid naar nationaliteit tussen in het bijzonder andere EU-burgers enerzijds en Nederlanders anderzijds. Dit onderscheid vindt geen rechtvaardiging in objectieve factoren die geen verband houden met discriminatie: niet valt in te zien om welke objectieve en ruimtelijk relevante redenen het gerechtvaardigd zou zijn dat kamerverhuur aan bijvoorbeeld een tijdelijk in de agrarische of logistieke sector werkzame burger van een andere EU-lidstaat anders zou zijn dan kamerverhuur aan een tijdelijk in eenzelfde sector werkzame Nederlander. Omdat een (indirect) discriminerende bepaling op zichzelf nooit evenredig kan zijn en de nagestreefde bescherming van het woon- en leefklimaat ook zonder het gemaakte onderscheid kan worden bereikt, concludeert de Afdeling dat de planregeling niet aan het evenredigheidsvereiste van art. 15, derde lid, aanhef en onder c, Dienstenrichtlijn voldoet.

Artikel delen