De Rechtbank Noord-Nederland oordeelt in zijn uitspraak van 12 december 2025 (ECLI:NL:RBNNE:2025:5104) dat de gemeenteraad het tegen het besluit tot vestigen van een voorkeursrecht gerichte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van een rechtstreeks betrokken belang (als bedoeld in art. 1:2, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht, “Awb”).

Het bedrijf dat de betrokken gronden wenste te verwerven zag zijn aankoopmogelijkheden vanwege het gevestigde voorkeursrecht - dat de gemeente gedurende de looptijd van het voorkeursrecht een eerste recht op koop verschaft - geringer worden en kwam daarom op tegen het raadsbesluit. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat het bedrijf en de eigenaren van het perceel geen koopovereenkomst in de openbare registers van het Kadaster hebben ingeschreven, zodat geen sprake is van de (uitzonderings-)situatie als bedoeld in art. 10, derde lid, Wet voorkeursrecht gemeenten (“Wvg”). Evenmin heeft het bedrijf aannemelijk gemaakt dat zij het perceel in kwestie heeft gekocht of over een koopoptie beschikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het bedrijf daarom hooguit een afgeleid belang bij het besluit tot vestigen van het voorkeursrecht (vgl. de Afdelingsuitspraak van 8 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1083). Ook in het betoog van het bedrijf dat haar bezwaar toch ontvankelijk had moeten worden verklaard vanwege de tegen de voorlopige aanwijzing naar voren gebrachte zienswijze gaat de rechtbank niet mee: omdat het geen milieuzaak betreft (als bedoeld in de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:7, Varkens in nood) noch een zaak gebaseerd op een wet genoemd in de Afdelingsuitspraken van 14 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:786) en 4 mei 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:953), oordeelt de rechtbank dat het bedrijf zich niet kan beroepen de Varkens in nood-rechtspraak om op die manier toegang tot de rechter te verkrijgen. Dit geldt temeer nu de besluitvorming over het voorkeursrecht niet is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, in het kader waarvan voor een ieder de mogelijkheid openstond om daarover een zienswijze naar voren te brengen. De in art. 4:8 Awb neergelegde mogelijkheid voor belanghebbenden om een zienswijze naar voren te brengen is in dit verband geen inspraakprocedure voor een ieder, aldus de rechtbank (onder verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1668).