Twee uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland over dezelfde omgevingsvergunning brengen een wezenlijke vraag aan het licht: in hoeverre is een college bij de uitoefening van de bevoegdheid een omgevingsvergunning bopa te verlenen gebonden aan beleidsregels die de gemeenteraad heeft vastgesteld? In de eerste uitspraak vernietigde de voorzieningenrechter de omgevingsvergunning wegens strijd met een gemeentelijke rood-voor-roodbeleidsregel. In de tweede uitspraak tegen de nieuwe beslissing op bezwaar draait de voorzieningenrechter dat om: de beleidsregel bindt het college juridisch gezien helemaal niet.

In de eerste uitspraak heeft het college van B en W van Harderwijk een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) verleend: op een voormalig paardenhouderijperceel met woonbestemming mochten twee nieuwe woningen worden gebouwd. Omwonenden tekenden beroep aan. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep gegrond (vzr. Rb. Gelderland 30 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:6233). De vergunning was verleend in strijd met de door de gemeenteraad vastgestelde rood-voor-roodbeleidsregel. Het college moest een nieuwe beslissing op bezwaar nemen. Het college deed dat bij besluit van 22 oktober 2025: de vergunning werd in stand gelaten, aangevuld met twee vergunningvoorschriften en een uitgebreidere motivering.
In de tweede uitspraak (Vzr. Rb. Gelderland 11 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:1906) verklaarde een andere voorzieningenrechter het beroep van de omwonenden ongegrond. Deze voorzieningenrechter oordeelde dat de beleidsregel niet van het college, maar van de gemeenteraad is. Op grond van artikel 4:81 Awb kan een bestuursorgaan uitsluitend beleidsregels vaststellen ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden. De bevoegdheid om een omgevingsvergunning voor een bopa te verlenen berust bij het college, niet bij de raad. Het college is dus niet gebonden aan de raadsbeleidsregel.
De enige toetsingsmaatstaf is of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de zin van artikel 8.0a, tweede lid, Bkl. Aan die maatstaf voldeed de motivering van het college nu wel. De voorzieningenrechter merkte ook nog op dat het enkele feit dat niet voldaan werd aan de beleidsregels, nog niet hoeft te betekenen dat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Overigens kwam in deze casus aan de raad geen adviesrecht als bedoeld in artikel 16.15a, sub b, onder 1 Ow toe. Als dat wel het geval was geweest, dan was de raad uiteraard in beginsel wel gebonden aan de door hem vastgestelde beleidsregel.
Vzr. Rb. Gelderland 30 juli 2025, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBGEL:2025:6233.
Vzr. Rb. Gelderland 11 maart 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBGEL:2026:1906.