Aan de orde is hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 mei 2025, nr. 23/5510 inzake een verleende natuurvergunning voor de uitbreiding en exploitatie van een melkrundveehouderij in Zoeterwoude. Deze heeft de natuurvergunning vernietigd.

De vergunde situatie leidt, volgens het college, na extern salderen niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Daarbij heeft het college betrokken dat de AERIUS-verschilberekening weliswaar op enkele punten een toename berekent, maar dat zijn volgens het college louter rekenkundige schijntoenames. Die toenames worden veroorzaakt doordat de stikstofdepositie door de saldo-ontvangende en saldogevende activiteit tot 25 kilometer wordt berekend en de emissiebronnen van die beide activiteiten niet op dezelfde plaats liggen.
De Afdeling wijst op overweging 35.3 van de uitspraak van 11 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5127, die gaat over zogenoemde randeffecten. Daaruit volgt dat een bestuursorgaan, in geval een salderingsberekening een toename van stikstofdepositie laat zien die veroorzaakt wordt door de rekengrens, kan volstaan met een motivering waarom de berekende stikstofdepositietoenames kunnen worden aangemerkt als modelmatige randeffecten, die niet tot een werkelijke bijdrage zullen leiden op hexagonen van stikstofgevoelige habitattypen binnen een Natura 2000-gebied in een straal van 25 kilometer van de betrokken bronnen van het plan of project waarvoor het salderen wordt ingezet.
Het gaat in de uitspraak van 11 december 2024 over een salderingsberekening die gemaakt is voor intern salderen. De Afdeling ziet niet in waarom het college bij randeffecten die volgen uit een salderingsberekening voor intern salderen wél en bij randeffecten die volgen uit een salderingsberekening voor extern salderen niet met een motivering dat sprake is van modelmatige randeffecten die niet tot een werkelijke bijdrage van stikstofdepositie zullen leiden, zou kunnen volstaan. In beide gevallen gaat het om een onderbouwing dat sprake is van schijntoenames.
Voor zover de handreiking “Omgaan met randeffecten 25 km in AERIUS Calculator" (april 2024) van Bij12 ” uitgaat van een verschil in omgaan met randeffecten bij intern en extern salderen, leidt dat niet tot een ander oordeel. De handreiking is een hulpmiddel bij de interpretatie van salderingsberekeningen na de invoering van de 25 kilometer rekengrens. De handreiking biedt vergunningverleners een handelingsperspectief hoe om te gaan met randeffecten. Het college is daar niet aan gebonden.
De Afdeling deelt het standpunt van het college dat in de toelichting op de aanvraag toereikend is gemotiveerd dat de berekende depositietoenames uitsluitend worden veroorzaakt door de toepassing van de rekengrens van 25 kilometer en dat er met intern en extern salderen binnen de rekenafstand van 25 kilometer van het beoogde project geen sprake zal zijn van een werkelijke toename van stikstofdepositie.
De Afdeling deelt ook het standpunt van het college dat er geen ecologische beoordeling van de effecten van het beoogde project nodig is. In zo’n geval kan in de passende beoordeling worden volstaan met de verschilberekening, de motivering van de opgetreden randeffecten en een motivering van het additionaliteitsvereiste (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2404, onder 19.6).
In verband met het additionaliteitsvereiste houdt deze natuurvergunning geen stand. In dit verband is overwogen dat de beëindiging van het agrarisch bedrijf in Zoetermeer niet kan worden ingezet als passende maatregel aangezien het bedrijf, gelet op de ligging en de omvang van de depositie een te gering effect heeft om daarvoor een wezenlijke bijdrage te kunnen leveren. De Afdeling stelt met de rechtbank voorop dat de motiveringsverplichting van toepassing is ongeacht de hoogte van het stikstofdepositiesaldo dat voor intern of extern salderen wordt ingezet. Dat de bijdrage van de activiteiten waarmee intern en extern gesaldeerd wordt gering is, daargelaten of dat hier zo is, betekent dus niet dat het college de additionaliteit niet hoeft te motiveren.
AbRvS 6 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2584