Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Recht op toegang tot de rechter in klimaatgeschil impliceert niet per definitie rechtsgang bij bestuursrechter

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) oordeelt in haar uitspraak van 4 februari 2026 dat noch art. 9, vierde lid, Verdrag van Aarhus noch het KlimaSeniorinnen-arrest (van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 9 april 2024) ertoe dwingen dat een geschil over een nationale milieuaangelegenheid (het klimaat daaronder begrepen) per definitie aan de Nederlandse bestuursrechter moet kunnen worden voorgelegd; een civiele rechtsgang is volgens de Afdeling wat dat betreft niet onevenredig kostbaar.

11 February 2026

Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over het verzoek van een groep activistische wetenschappers aan de minister van Klimaat en Groene Groei om een lijst met effectieve klimaatmaatregelen achter de hand te houden die zouden kunnen worden getroffen bij falend klimaatbeleid. Met de minister is de Afdeling van oordeel dat dit verzoek niet kwalificeert als een aanvraag in de zin van art. 1:3, derde lid, Algemene wet bestuursrecht (“Awb”). De wetenschappers kunnen daarom niet bij de bestuursrechter procederen over het uitblijven van een appellabel besluit in reactie op dat verzoek. De vraag is vervolgens of voor de wetenschappers via art. 9 Verdrag van Aarhus - dat voorziet in het recht op toegang tot de rechter bij milieuaangelegenheden - alsnog een rechtsgang bij de bestuursrechter openstaat. De Afdeling overweegt dat uit deze verdragsbepaling niet per definitie volgt dat de bestuursrechter in dergelijke zaken moet beslissen. In zoverre kunnen de wetenschappers niet op basis van deze bepaling, en buiten het kader van de Awb, alsnog toegang tot de bestuursrechter verkrijgen. Nog daargelaten of de wetenschappers een beroep kunnen doen op art. 9, vierde lid, Verdrag, is de Afdeling van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de toegang tot de civiele rechter in dit geval onevenredig kostbaar is: volgens de Afdeling is het niet zo dat de advocaatkosten bij een civiele procedure excessief zijn en dat de bij de civiele rechter in het ongelijk gestelde partij opdraait voor de volledige advocaatkosten van de wederpartij. Ook hebben de wetenschappers niet feitelijk onderbouwd waarom een procedure bij de civiele rechter in dit geval onevenredig kostbaar zou zijn als bedoeld in het verdragsartikel. Naar het oordeel van de Afdeling kan evenmin uit het KlimaSeniorinnen-arrest worden afgeleid tot welke specifieke rechterlijke instantie men zich in milieuaangelegenheden moet wenden dan wel dat dat in dit geval de Nederlandse bestuursrechter zou moeten zijn. 

Artikel delen