Door aansluiting te zoeken bij art. 3:13 Awb verduidelijkt de Rechtbank Midden-Nederland in zijn uitspraak van 3 april 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:1300) aan wie de ontwerp- en vastgestelde onteigeningsbeschikking moeten worden toegestuurd respectievelijk bekendgemaakt. Aanleiding hiervoor was het verzoek van Provinciale Staten (“PS”) om bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking die, ter uitvoering van het provinciaal inpassingsplan, de weg vrij moet maken voor de beoogde uitbreiding van een transformatorstation. De rechtbank beoordeelt het verzoek om bekrachtiging aan de hand van de wettelijk voorgeschreven ambtshalve basistoets en de door belanghebbenden ingebrachte bedenkingen. Bij de ambtshalve basistoets gaat de rechtbank onder meer na of de onteigeningsbeschikking is voorbereid volgens de wettelijke vormvoorschriften. Daarmee wordt bedoeld de voorschriften die zien op de procedure van totstandkoming van de onteigeningsbeschikking.

De rechtbank stelt vast dat op de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (“uov”) uit de Awb van toepassing is (art. 16.33b Omgevingswet, “Ow”). De ontwerp- en vastgestelde onteigeningsbeschikking moeten in dat verband niet alleen ter inzage worden gelegd; PS moeten de ontwerp onteigeningsbeschikking voorafgaand aan de terinzagelegging en vervolgens de vastgestelde onteigeningsbeschikking ook toezenden aan de belanghebbenden aan wie de beschikking is gericht (artt. 3:13 en 3:41, eerste lid, Awb). Uit de Memorie van Toelichting bij de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Kamerstukken II 2003/2004, 29421, nr. 3) volgt dat onder de ‘belanghebbenden tot wie de beschikking is gericht’ in elk geval moeten worden verstaan eigenaren, rechthebbenden, gebruikers en andere persoonlijk gerechtigden van percelen waarop het desbetreffende besluit betrekking heeft.
De rechtbank constateert dat PS van de terinzagelegging van de ontwerpbeschikking als van de definitieve onteigeningsbeschikking (elk met de bijbehorende stukken) weliswaar kennisgeving hebben gedaan in het Provinciaal blad, maar dat beide documenten niet aan diverse zakelijk gerechtigden zijn verstuurd. Naar het oordeel van de rechtbank hadden PS de ontwerp en de vastgestelde onteigeningsbeschikking wel aan deze partijen moeten sturen, zodat zij de gelegenheid hadden gehad om daartegen een zienswijze en bedenkingen in te dienen. Vanwege hun recht van opstal ten aanzien van de te onteigenen percelen zijn de belangen van deze partijen immers rechtstreeks bij de onteigeningsbeschikking betrokken en zijn deze partijen (dus) belanghebbenden tot wie de onteigeningsbeschikking is gericht. De omstandigheid dat, zoals PS op verzoek van de rechtbank na de zitting hebben toegelicht, deze partijen niet rechtstreeks in hun belangen zouden worden geraakt, omdat hun opstalrechten zijn gevestigd buiten de te onteigenen perceelsgedeelten, maakt dit volgens de rechtbank niet anders. De rechtbank ziet geen reden om in het geval van een onteigeningsbeschikking af te wijken van het bepaalde in art. 3:13 Awb door onderscheid te maken in perceelsgedeelten die wel of niet door de onteigening worden geraakt. De onteigeningsprocedure is gebaat bij een eenvoudig en helder criterium voor het toesturen van de ontwerpbeschikking en het bekendmaken van de vastgestelde beschikking aan (zakelijk) gerechtigden, hetgeen voorkomt dat de rechtbank in het kader van de basistoets moet beoordelen welke rechten betrekking hebben op een te onteigenen perceelsgedeelte, aldus de rechtbank. Hoewel de onteigeningsbeschikking volgens de rechtbank niet volgens de wettelijke vormvoorschriften is voorbereid, ziet de rechtbank desalniettemin aanleiding om dit gebrek te passeren (met toepassing van art. 6:22 Awb dat op grond van art. 16.113, eerste lid, Ow ook van toepassing is in een bekrachtigingsprocedure).