Op 28 januari 2026 deed de rechtbank Den Haag een uitspraak met grote betekenis voor het Europees én Caribisch-Nederlandse klimaatbeleid. In een zaak die was aangespannen door Greenpeace, samen met acht inwoners van het eiland, oordeelde de rechter dat de Nederlandse Staat de mensenrechten van de inwoners van Bonaire heeft geschonden door te laat en onvoldoende maatregelen te nemen tegen klimaatverandering.

Greenpeace stelde dat de Staat onvoldoende maatregelen neemt om de inwoners van Bonaire te beschermen tegen klimaatverandering. Daardoor voldoet Nederland volgens Greenpeace niet aan zijn internationale verdragsverplichtingen. Bovendien worden inwoners van Bonaire minder goed beschermd dan inwoners van Europees Nederland. Dat is volgens Greenpeace onrechtmatig.
De rechtbank past de overall-toets van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) toe om te beoordelen of Nederland heeft voldaan aan zijn verplichtingen onder artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) bij het nemen van klimaatmaatregelen. Artikel 8 van het EVRM omvat het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven. De overall-toets brengt met zich mee dat een tekortkoming op één specifiek punt niet automatisch leidt tot de vaststelling van een schending. De rechtbank heeft zowel maatregelen gericht op het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen (mitigatie) beoordeeld als maatregelen die zien op het aanpassen van de leefomgeving en de samenleving aan de gevolgen van klimaatverandering (adaptatie).
De rechtbank komt tot de conclusie dat Nederland jegens de inwoners van Bonaire tekort is geschoten in het nemen van zowel mitigatie- als adaptatiemaatregelen. Het totaalpakket aan maatregelen sluit onvoldoende aan bij de internationale verplichtingen die Nederland in VN-verband is aangegaan. Daarmee heeft de Staat zijn zorgplicht geschonden.
Daar komt bij dat Caribisch Nederland lange tijd nauwelijks is meegenomen in het Nederlandse klimaatbeleid. Maatregelen voor Bonaire zijn pas in 2023 aangekondigd en zijn minder systematisch en minder vergaand dan die voor Europees Nederland. De Staat heeft deze keuze onvoldoende uitgelegd.
Het is volgens de rechtbank duidelijk dat de omstandigheden op Bonaire anders zijn dan die in Europees Nederland, en een eigen aanpak vragen. De rechtbank oordeelt dat de Staat ook het verbod op discriminatie van artikel 14 van het EVRM heeft geschonden.
De rechtbank heeft de Staat opgedragen om binnen achttien maanden nieuwe bindende CO2-reductiedoelen vast te stellen voor de gehele economie, zoals bedoeld in het Akkoord van Parijs. Deze doelen moeten voldoen aan internationale verplichtingen, waaronder het VN-Klimaatakkoord en het Parijsakkoord, en concrete stappen bevatten om de uitstoot van broeikasgassen substantieel te verminderen. Hoewel de rechter geen specifieke percentages of maatregelen voorschrijft, brengt de uitspraak wel een afdwingbare verplichting mee om bindende tussentijdse doelstellingen vast te stellen en deze daadwerkelijk na te komen.
De uitspraak past in een reeks baanbrekende klimaatrechtszaken. Zo oordeelde het EHRM in de Klimaseniorinnen-uitspraak dat staten verplicht zijn een klimaatbeleid te voeren dat mensenrechten beschermt, waarbij zij grotendeels wel beleidsvrijheid behouden bij de keuze van maatregelen. Die beleidsvrijheid is ook terug te zien in Fliegenschnee/Oostenrijk, waarin het Hof bevestigde dat artikel 8 van het EVRM geen recht geeft op specifieke mitigatiemaatregelen door de overheid. In de zaak Greenpeace/Noorwegen werd geen mensenrechtenschending aangenomen bij het verlenen van olie- en gaslicenties, maar legde het Hof wel een belangrijke procedurele standaard vast: vóór de goedkeuring van risicovolle activiteiten moet altijd een volledige, tijdige en wetenschappelijk onderbouwde milieueffectbeoordeling plaatsvinden.
Hoewel de fysieke omstandigheden op Bonaire niet een-op-een kunnen worden doorvertaald naar Nederland en hoger beroep nog openstaat tegen de uitspraak, heeft deze uitspraak wel degelijk gevolgen voor de juridische praktijk.
Niet alleen de Staat, mar ook gemeenten, moeten werk maken van de CO2-reductie. Deze doelstellingen hebben uiteindelijk hun weerslag op het aantal of het type vergunningen dat een gemeente kan afgeven en op de activiteiten die een omgevingsplan faciliteert.
Onze verwachting is dat in de toekomst meer uitspraken zoals de Bonaire-uitspraak zullen worden gedaan. Ons team houdt deze klimaatjurisprudentie nauwlettend in de gaten en adviseert graag bij het opstellen van een toekomstbestendig omgevingsplan of vergunningenbeleid.