Rechtbank Den Haag 30 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9695. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de omgevingsvergunning terecht en op goede gronden is verleend, nu de aanbouw niet in strijd is met de voorschriften uit het geldende hashtag omgevingsplan en voldoet aan de redelijke eisen van welstand.

De aangevraagde omgevingsvergunning ziet op de omgevingsplanactiviteit “bouwen” (een zogenoemde 'OPA Bouw', YS). Als een bouwplan voldoet aan de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld, mag een dergelijke omgevingsvergunning niet worden geweigerd (dit volgt uit art. 8.0a, lid 1 Bkl). Er is in dat geval sprake van een zogenoemde gebonden beschikking. Het college heeft dan geen ruimte om de belangen die voor of tegen het verlenen van de omgevingsvergunning pleiten – waaronder de belangen die verzoeker in deze procedure naar voren heeft gebracht – tegen elkaar af te wegen.
De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het bouwplan voldoet aan de bouw- en gebruiksregels van het bestemmingsplan. De aanbouw is bedoeld om in te wonen en past daarmee binnen de bestemming ‘Wonen-1’, er wordt gebouwd binnen het bouwvlak en de maximale bouwhoogte van 15 meter wordt niet overschreden. Evenmin is in geschil dat de aanbouw voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Het bouwplan voldoet daarmee aan de eisen die art. 22.29 van het omgevingsplan stelt voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Dit betekent – gelet op art. 8.0a, lid 1 Bkl dat het college de omgevingsvergunning in dit geval terecht heeft verleend.
Het betoog van verzoeker met betrekking tot de aantasting van zijn privacy kan in het licht van het voorgaande niet leiden tot een ander oordeel. De beoordeling van de gevolgen van de op grond van het bestemmingsplan toegestane activiteiten voor omwonenden – zoals privacy – heeft al plaatsgevonden in het kader van de vaststelling van het omgevingsplan, waaraan het bouwplan voldoet, en kunnen dus niet meer aan de orde komen in het kader van de vergunningverlening.
Alleen wanneer het bouwplan niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan – en er dus moet worden afgeweken van de regels van het omgevingsplan – is er ruimte voor het college om de gevolgen van het bouwplan voor omwonenden te betrekken bij de beoordeling. Nu vaststaat dat daarvan geen sprake is, heeft dit tot gevolg dat de bezwaren van verzoeker, die op de gevolgen van het bouwplan voor zijn leefomgeving en privacy zien, terecht door het college niet betrokken zijn bij de verlening van de vergunning.