De uitspraak van de rechtbank Zeeland West-Braabant van 11 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1424, betreft een illustratie van de ETFAL-toetsing bij een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (OPA). Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning voor het aanleggen van een verhard pad, het slopen van een bestaande schuur en het bouwen van een garage.

In een geval als deze, waarin de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in het omgevingsplan staat als gevolg van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, geldt op grond van artikel 22.275 van het omgevingsplan dat het college ook moet beoordelen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zie artikel 22.1, onder c, in samenhang met artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet en artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet en het daarin opgenomen artikel 22.275 van het omgevingsplan. De rechtbank merkt op dat dit volgens het Staatsblad 2020, 400, geregeld wordt in artikel 22.281 van de bruidsschat. Die bepaling is als onderdeel van de bruidsschat opgenomen in het omgevingsplan. Dit betekent dat het college in dat geval een belangenafweging moet maken en ook dient te beoordelen of het verlenen van de omgevingsvergunning op grond van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Die verplichting geldt op grond van artikel 8.0a, eerste lid van het Bkl niet als een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid niet als tijdelijk deel van het omgevingsplan in het omgevingsplan staat.
Het college heeft gesteld dat in het bestreden besluit voldoende is onderbouwd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Alle betrokken belangen zijn zorgvuldig tegen elkaar afgewogen. Verzoeker heeft niet naar voren gebracht in welk opzicht zijn belangen zijn geschaad.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft met het bestreden besluit gemotiveerd dat het perceel een perceel betreft met daarop een woning. De garage wordt gerealiseerd in overeenstemming met de woonbestemming en brengt daar geen wijziging in. Verder is de aanleg van de verharding en de sloop van de schuur noodzakelijk voor het bouwen en kunnen gebruiken van de garage. Er is daarbij niet gebleken dat de omgevingsvergunning zal leiden tot een onevenredige aantasting van andere belangen, waaronder die van omwonenden zoals verzoeker.
Bovendien dient het college enkel een beoordeling te maken of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor zover wordt afgeweken van het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter brengt in herinnering dat binnen de bestemming ‘Wonen’ de bouw en het gebruik van een garage is toegestaan. Er wordt enkel afgeweken van het bestemmingsplan voor zover wordt gehandeld in strijd met de regels die zien op de dubbelbestemming ‘Waarde – Beschermd dorpsgezicht’. Verzoeker heeft niet onderbouwd waarom zijn belang in dat kader onvoldoende door het college is meegewogen.
UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN
Op het perceel van vergunninghouders (hierna: het perceel) is het omgevingsplan van de gemeente Oosterhout van toepassing. Het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’ maakt daar onderdeel van uit (artikel 22.1, aanhef en onder a en b, van de Omgevingswet). Uit het bestemmingsplan volgt dat aan het perceel de functies ‘Wonen’ en ‘Waarde – Beschermd stadsgezicht’ zijn toegekend.
In artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet staat dat het verboden is om een omgevingsplanactiviteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Een omgevingsplanactiviteit wordt in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet gedefinieerd als:
a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,
b. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
c. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.
In de algemene regels die in het omgevingsplan worden opgenomen, kan worden bepaald dat voor bepaalde activiteiten een verbod behoudens omgevingsvergunning geldt. Het omgevingsplan moet in zo’n geval ook de beoordelingsregels bevatten. Als een activiteit strookt met die beoordelingsregels, is sprake van een omgevingsplanactiviteit als bedoeld onder a. Is de activiteit in strijd met de in het omgevingsplan opgenomen beoordelingsregels of is anderszins sprake van strijd met het omgevingsplan, dan is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als bedoeld onder b en c.
De omgevingsplanactiviteit is verleend voor de aanleg van verharding, het slopen van het aanwezige schuurtje en het bouwen van een garage.
Uit de Omgevingswet (artikel 5.18, eerste lid, en artikel 5.21 van de Omgevingswet) blijkt dat in hoofdstuk 8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beoordelingsregels zijn gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat: voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de beoordelingsregels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
In een geval als deze, waarin de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in het omgevingsplan staat als gevolg van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, geldt op grond van artikel 22.275 van het omgevingsplan dat het college ook moet beoordelen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 22.1, onder c, in samenhang met artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet en artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit omgevingswet en het daarin opgenomen artikel 22.275 van het omgevingsplan. De rechtbank merkt op dat dit volgens het Staatsblad 2020, 400, geregeld wordt in artikel 22.281 van de bruidsschat). Die bepaling is als onderdeel van de bruidsschat opgenomen in het omgevingsplan. Dit betekent dat het college in dat geval een belangenafweging moet maken en ook dient te beoordelen of het verlenen van de omgevingsvergunning op grond van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Die verplichting geldt op grond van artikel 8.0a, eerste lid van het Bkl niet als een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid niet als tijdelijk deel van het omgevingsplan in het omgevingsplan staat.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe. Het college moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Verzoeker heeft betoogd dat het college niet heeft beoordeeld of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft in het bestreden besluit enkel verwezen naar de overwegingen ter zake van de door de voorzieningenrechter geconstateerde gebreken in de vernietigde beslissing op bezwaar van 7 augustus 2025 en verwezen naar het advies van de commissie. Er niet is gebleken van enige belangenafweging, laat staan dat de belangen van verzoeker zijn meegewogen.
Het college heeft gesteld dat in het bestreden besluit voldoende is onderbouwd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Alle betrokken belangen zijn zorgvuldig tegen elkaar afgewogen. Verzoeker heeft niet naar voren gebracht in welk opzicht zijn belangen zijn geschaad.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft met het bestreden besluit gemotiveerd dat het perceel een perceel betreft met daarop een woning. De garage wordt gerealiseerd in overeenstemming met de woonbestemming en brengt daar geen wijziging in. Verder is de aanleg van de verharding en de sloop van de schuur noodzakelijk voor het bouwen en kunnen gebruiken van de garage. Er is daarbij niet gebleken dat de omgevingsvergunning zal leiden tot een onevenredige aantasting van andere belangen, waaronder die van omwonenden zoals verzoeker.
Bovendien dient het college enkel een beoordeling te maken of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor zover wordt afgeweken van het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter brengt in herinnering dat binnen de bestemming ‘Wonen’ de bouw en het gebruik van een garage is toegestaan. Er wordt enkel afgeweken van het bestemmingsplan voor zover wordt gehandeld in strijd met de regels die zien op de dubbelbestemming ‘Waarde – Beschermd dorpsgezicht’. Verzoeker heeft niet onderbouwd waarom zijn belang in dat kader onvoldoende door het college is meegewogen.
Nu het college voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen.