Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Referentiesituatie extern salderen. Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat (3)

Na twee eerdere tussenuitspraken heeft de AbRvS een einduitspraak gedaan over de inpassingsplannen en natuurvergunning voor de zogenoemde Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat (GOL). De Afdeling heeft de laatste herstelde punten geaccordeerd.

26 februari 2025

Samenvatting

Samenvatting



Er is onder meer een nadere motivering gegeven waarom in de passende beoordeling rekening mocht worden gehouden met de beëindiging van een veehouderij ten behoeve van extern salderen. Het gaat om artikel 2.7, lid 10, onder b, van de provinciale beleidsregel, op grond waarvan bij externe saldering maximaal 15% van de totale ammoniakemissie behouden mag blijven. Het college heeft de ammoniakemissie die was toegestaan op grond van de natuurtoestemming voor deze veehouderij van 26 augustus 2016 (de referentiesituatie), vergeleken met de toestemming die voor deze locatie geldt na het intrekkingsbesluit voor deze veehouderij van 14 september 2021. Op grond hiervan blijft 12,6% van de totale ammoniakemissie behouden.

Appellanten betogen dat de verkeerde referentiesituatie is gebruikt. Op 24 november 2020 is namelijk een melding geaccepteerd voor een veebestand met een emissie van 1709,1 kg NH3/jaar. Als de juiste referentiesituatie wordt gebruikt, blijft meer dan 15% van de totale ammoniakemissie behouden na het intrekkingsbesluit van 14 september 2021. Dit zou in strijd zijn met de Beleidsregel. Uit de definitie van het begrip 'referentiesituatie' in de Beleidsregel blijkt dat altijd moet worden uitgegaan van de laagst toegestane depositie vanaf de referentiesituatie. Daarnaast volgt uit de jurisprudentie óók niet dat de melding de natuurvergunde situatie niet beperkt, aldus appellanten.

De Afdeling overweegt het volgende over het begrip "toestemming", zoals dit begrepen moet worden in artikel 2.7, lid 10, onder b, van de beleidsregel. Een letterlijke lezing van de begripsbepaling over de referentiesituatie wijst uit dat het zinsdeel "waarbij de laagst toegestane depositie vanaf de referentiedatum geldt" uitsluitend betrekking heeft op de situaties onder b ("onherroepelijke vigerende vergunning dan wel geldende melding op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht onderdeel milieu, de Wet milieubeheer of de Hinderwet") en e ("activiteit die op de Europese referentiedatum was toegestaan en die sindsdien onafgebroken aanwezig is geweest"). Dat wil zeggen dat de beperking in dit zinsdeel geen betrekking heeft op een referentiesituatie die is gebaseerd op een natuurvergunning, zoals in dit geval aan de orde is in de vorm van een verklaring van geen bedenkingen voor het verlenen van de omgevingsvergunning van 17 februari 2016 voor de veehouderij.

Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt ook niet dat een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer een beperking vormt van de referentiesituatie wanneer deze is gebaseerd op een toestemming op grond van artikel 2.7 en 2.8 van de Wnb. Vgl. AbRvS 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, onder 19.2.

Groen licht dus voor de gebiedsontwikkeling. Zie AbRvS 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:759.

Artikel delen