De Rechtbank Noord-Holland komt in een uitspraak van 24 maart 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:2942 tot het oordeel dat het college van B & W van de gemeente Zandvoort niet bevoegd is om ambtshalve de omgevingsvergunningen milieu van Circuit Zandvoort te actualiseren.

De revisievergunning is verleend door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland. Een actualisatie van een verleende omgevingsvergunning milieu op grond van artikel 2.30 en 2.31 Wabo betreft een complementaire (aanvullende) bevoegdheid ten opzichte van de verlening van die vergunning. Dat betekent dat alleen het bevoegd gezag dat de omgevingsvergunningen milieu (waaronder de revisievergunning) heeft verleend aan Circuit Zandvoort die vergunningen en de daaraan verbonden voorschriften daarna (ambtshalve) kan aanpassen of intrekken. Dit is vergelijkbaar met bijvoorbeeld een ambtshalve intrekking van een verleende omgevingsvergunning op grond van artikel 2.33 en 5.19 Wabo. Onder de Omgevingswet is dit niet veranderd. De rechtbank ziet ook in artikel 2.4, vijfde lid, Wabo een bevestiging van haar standpunt. In het geval geen sprake zou zijn geweest van een ambtshalve actualisatie maar van een aanvraag, beslist immers op grond van het vijfde lid ook het bevoegd gezag dat de geldende omgevingsvergunning heeft verleend op elke aanvraag die betrekking heeft op een project dat zal worden of wordt uitgevoerd op de plaats ten aanzien waarvan die vergunning is verleend. Onder de Omgevingswet wijzigt ook die systematiek niet, omdat in artikel 4.16, eerste lid, van het Omgevingsbesluit, ter uitvoering van artikel 5.13 van de Omgevingswet een vergelijkbare bepaling als artikel 2.4, vijfde lid, Wabo is opgenomen. Dat betekent dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland en niet het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zandvoort bevoegd was tot actualisatie van de omgevingsvergunningen milieu van het Circuit Zandvoort.