Op 10 december 2025 heeft de Afdeling uitspraak gedaan in het beroep van een uitzendbureau en twee pandeigenaren tegen de vaststelling van een bestemmingsplan van de gemeente Halderberge, dat tot doel had om de huisvesting van arbeidsmigranten en seizoensarbeiders te reguleren en te sturen. De Afdeling toetst de planregels aan de Dienstenrichtlijn en komt tot de conclusie dat sprake is van indirecte discriminatie.

Artikel 5.2 van de planregels bevat een verbod op kamergewijze verhuur. Artikel 5.3.1 biedt de mogelijkheid om bij omgevingsvergunning van dat verbod af te wijken voor de huisvesting van seizoensarbeiders, mits voldaan wordt aan het Toetsingskader ‘Humane Huisvesting Arbeidsmigranten’. Artikel 5.3.2 biedt een afwijkingsmogelijkheid voor overige vormen van kamergewijze verhuur met bijbehorende clausulering.
Volgens de Afdeling bevat de planregeling een eis in de zin van de Dienstenrichtlijn, omdat deze een territoriale beperking bevat op de verhuurmogelijkheden binnen het plangebied. De Afdeling dient daarom te beoordelen of deze beperking in overeenstemming is met artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn: deze mag niet discriminerend zijn, moet nodig zijn om een dwingende reden van algemeen belang en moet evenredig zijn ten opzichte van dat belang.
Niet in geschil is dat de planregeling niet discriminerend is. De Afdeling gaat vervolgens mee in het standpunt van de raad dat de regeling gerechtvaardigd is gelet op de noodzaak tot het beschermen van het woon- en leefklimaat in het plangebied (leefbaarheid). De Afdeling komt echter tot de conclusie dat de planregel niet evenredig is. Daartoe overweegt zij dat artikel 5.3.1 van de planregels indirect discriminerend werkt omdat deze een onderscheid maakt tussen seizoensarbeiders en degenen die dat niet zijn. Weliswaar is de term seizoensarbeider neutraal geformuleerd, maar de planregel treft (zoals ook door de raad erkend) vooral arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa. Daarom treft de planregel met name mensen met bepaalde nationaliteiten, zodat deze volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie als indirect discriminerend wordt aangemerkt. Volgens diezelfde rechtspraak kan een indirect discriminerende regeling op zichzelf nooit evenredig zijn. Bij gebrek aan objectieve factoren die dit onderscheid rechtvaardigen, vernietigt de Afdeling de planregels.
Deze uitspraak bevestigt dat gemeenten die (huisvesting van) arbeidsmigratie willen reguleren al snel tegen de beperkingen van de Dienstenrichtlijn zullen aanlopen. Buiten kijf staat nu immers dat het verhuren van woonruimte als een ‘dienst’ in de zin van die richtlijn moet worden aangemerkt. Bovendien kan een neutrale (niet-discriminerende) formulering van de definitie van ‘seizoensarbeider’ niet afdoen aan het feit dat het in de praktijk vooral zal gaan om arbeidsmigranten met bepaalde nationaliteiten.