In zijn uitspraak van 14 januari 2026 (ECLI:NL:RBAMS:2026:114) oordeelt de Rechtbank Amsterdam dat eiseres in het kader van haar verzoek tot intrekken van een in 2017 verleende bouwvergunning geen geslaagd beroep kan doen op art. 3 Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (“Wet Bibob”); het relativiteitsvereiste van art. 8:69a Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) staat daaraan in de weg.

Eiseres had het college verzocht om een oude bouwvergunning in te trekken, omdat de vergunde bouw van een woning na het aanbrengen van heipalen al jarenlang stilligt. In beroep komt eiseres op tegen afwijzende beslissing op haar verzoek. De rechtbank stelt vast dat het bevoegd gezag op grond van art. 5.40, tweede lid, Omgevingswet (“Ow”) een omgevingsvergunning kan intrekken, indien - kort gezegd - (i) gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning (sub c), of (ii) in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in art. 3 Wet Bibob (met overeenkomstige toepassing van art. 5.31, tweede en derde lid, Ow). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vergunninghouder voldoende aannemelijk gemaakt dat de vergunning alsnog uitgevoerd gaat worden en is het de vergunninghouder niet aan te rekenen dat hij dat niet gedaan heeft hangende de Bibob-procedure. De rechtbank vindt de belangenafweging die het college bij het nemen van een beslissing op het handhavingsverzoek heeft gemaakt dan ook niet onredelijk. Ook in de stelling van eiseres dat zij een zwaarwegend belang heeft bij de intrekking van de omgevingsvergunning, nadat op het perceel waarop de vergunning betrekking heeft een opiumdelict is gepleegd, gaat de rechtbank niet mee. Ten aanzien van het hiermee geïmpliceerde beroep op art. 3 Wet Bibob overweegt de rechtbank dat dit artikel strekt tot bescherming van het algemeen belang om te voorkomen dat de overheid ongewild criminele activiteiten faciliteert. Individuele belangen van omwonenden zijn niet zodanig verweven met dit algemene belang dat het artikel moet worden geacht ook te strekken tot bescherming van hun belangen (vgl. de Afdelingsuitspraak van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3091). Het relativiteitsvereiste (als bedoeld in art. 8:69a Awb) staat daarmee in de weg aan een succesvol beroep op dit wetsartikel, temeer omdat dit geen belang is dat de Ow beoogt te beschermen.