In haar uitspraak van 19 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5626) oordeelt de Afdeling dat het relativiteitsvereiste van art. 8:69a Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) in dit geval niet in de weg staat aan de inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden die een stichting naar voren heeft gebracht tegen de verleende omgevingsvergunning voor het exploiteren van een intensieve veehouderij. Het college had die omgevingsvergunning verleend in afwijking van het bestemmingsplan (art. 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, “Wabo”).

In hoger beroep is de vraag aan de orde of de beroepsgronden van de stichting die opkomt tegen deze vergunning afstuiten op het relativiteitsvereiste. Dit vereiste verlangt een verband tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad: ingevolge art. 8:69a Awb mag de bestuursrechter een besluit namelijk niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt. Aan de procedurele normen over het recht op inspraak komt in dit verband een zelfstandige betekenis toe (vgl. de Afdelingsuitspraak van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:606). De stichting had in dit geval een zienswijze naar voren gebracht over het ontwerpbesluit en in beroep gronden aangevoerd die - behalve op de gevolgde procedure en daarbij geboden inspraak - zagen op de kans op bodem- en luchtvervuiling en lawaai, aantasting van de drinkwatervoorziening en het ten onrechte afwijken van het bestemmingsplan voor de activiteit bouwen. De Afdeling overweegt dat uit de statuten van de stichting volgt dat deze niet alleen opkomt voor de belangen van dieren die worden gehouden, maar ook voor de belangen van in (relatieve) vrijheid levende dieren. De belangen van de dieren in de omgeving van de vergunde veehouderij en de kwaliteit van hun bestaan en natuurlijke habitat, behoren volgens de Afdeling gelet op de statuten tot de belangen die de stichting behartigt. Omdat niet uitgesloten is dat de norm van een goede ruimtelijke ordening waarop de stichting zich beroept ook strekt tot bescherming van deze belangen, ziet de Afdeling - anders dan de rechtbank - geen aanleiding om voor de aangevoerde beroepsgronden het relativiteitsvereiste te hanteren.