Deze uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2026 handelt over de vraag of een havenbedrijf een aan haar natuurvergunning verbonden voorschrift had geschonden. Dat voorschrift bestond eruit dat, ter compensatie van areaalverlies van een bepaald habitattype ten gevolge van de vergunde werkzaamheden (aanleg van de Tweede Maasvlakte), binnen het Natura 2000-gebied Voordelta een bodembeschermingsgebied moest worden ingesteld. Dat bodembeschermingsgebied moest tien keer zo groot zijn als het areaal dat verloren zou gaan en daarbinnen moesten bepaalde activiteiten, waaronder bodemberoerende visserij, worden beperkt. Hiermee zou een kwaliteitsverbetering van 10% van het betreffende habittattype kunnen worden gerealiseerd.

In 2020 verscheen een rapport met een evaluatie van de natuurcompensatie. Daaruit zou volgens de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland blijken dat het doel van 10% kwaliteitsverbetering niet is gehaald en dat meer maatregelen getroffen hadden moeten worden (met name meer beperkende maatregelen ten aanzien van visserij in het bodembeschermingsgebied). De Vereniging had daarom een handhavingsverzoek ingediend bij de minister voor Natuur en Stikstof.
De zaak komt in hoger beroep bij de Afdeling terecht en die buigt zich over de inhoud van het betreffende vergunningvoorschrift. Zij komt tot de conclusie dat daarin voor het havenbedrijf uitsluitend de verplichting is neergelegd om te wachten met de aanleg van de Tweede Maasvlakte totdat de genoemde compenserende maatregelen zijn getroffen. Aan die verplichting heeft het havenbedrijf voldaan. Het feit dat achteraf is gebleken dat de compenserende maatregelen niet het beoogde effect hebben gehad, betekent volgens de Afdeling niet dat het havenbedrijf niet had mogen beginnen met de aanleg van de Tweede Maasvlakte. De Afdeling concludeert dus dat geen sprake is van een overtreding van het vergunningvoorschrift.
De Afdeling komt met deze uitspraak tot een andere conclusie dan de rechtbank (ECLI:NL:RBMNE:2022:4557), die juist wel had geoordeeld dat het voorschrift een resultaatsverplichting bevatte voor het havenbedrijf om 10% ecologische winst te behalen. Die uitleg beantwoordt misschien beter aan het doel van de natuurbeschermingswetgeving, maar leidt wel tot rechtsonzekerheid, in het bijzonder omdat het havenbedrijf niet zelf de compenserende maatregelen kan treffen (daarvoor zijn namelijk (appellabele) besluiten van de minister nodig, zoals in de uitspraak van de rechtbank tot uitdrukking komt). Dat de Afdeling hier kiest voor rechtszekerheid, is volgens ons dan ook begrijpelijk.