Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Rol niet-stikstofgerelateerde maatregelen bij de additionaliteitstoets

Gisteren wees de Afdeling uitspraak over de intrekking van een natuurtoestemming van een veehouderij in Limburg op verzoek van MOB en Leefmilieu. Centraal stond de vraag welke rol niet‑stikstofgerelateerde herstelmaatregelen (zoals hydrologische maatregelen) mogen spelen in de additionaliteitstoets.

Klaas Valkering 22 January 2026

Wat speelde er?

De vergunning is in 2019 verleend en maakt meer én andere soorten vee mogelijk, voor de daardoor ontstane toename van stikstofdepositie is ruimte toebedeeld op grond van het PAS. Na sneuvelen van het PAS vragen MOB en Leefmilieu om intrekking. Het college beroept zich bij de weigering van het intrekkingsverzoek onder meer op getroffen passende maatregelen, waaronder hydrologische herstelmaatregelen (dempen van sloten, aanleg van kades, stuwen, bufferzones), en stelt dat daarmee (dreigende) verslechtering of significante verstoring wordt voorkomen, zodat intrekking (ook daarom) niet nodig is.

De Afdeling overweegt dat in gevallen waarin een daling van stikstofdepositie ter voorkoming van verslechtering van natuurwaarden nodig is, maatregelen die niet zien op het reduceren van stikstofdepositie niet kunnen worden betrokken bij de vraag of intrekking van een natuurvergunning – die alleen ziet op activiteiten met stikstofdepositie – nodig is als passende maatregel. Bij die vraag kan het college binnen zijn beoordelingsruimte alleen passende maatregelen betrekken die gericht zijn op het reduceren van stikstofdepositie.

Maar dit betekent niet dat aan herstelmaatregelen in het geheel geen waarde kan toekomen. Het college moet onderbouwen welke daling van stikstofdepositie naar zijn oordeel noodzakelijk is en binnen welke termijn deze daling kan worden gerealiseerd. Ten behoeve van het ecologisch in kaart brengen van de staat van de natuurwaarden en het bepalen welke daling het college noodzakelijk acht, kunnen de effecten van herstelmaatregelen een rol spelen. Hydrologische herstelmaatregelen zoals hier aan de orde kunnen leiden tot een robuuster Natura 2000‑gebied dat een (overschrijding van) stikstofdepositie beter kan verdragen. In zoverre kan dus belang worden toegekend aan andersoortige passende maatregelen – maar niet in de laatste stap van de additionaliteitstoets: de vraag of de stikstofgerelateerde maatregel wel of niet (geschikt en) noodzakelijk is als herstel‑ of instandhoudingsmaatregel.

Kortom: herstelmaatregelen tellen mee bij het bepalen hoeveel en hoe snel de depositie omlaag moet, maar bij het onderbouwen dat in dit geval intrekking van de vergunning niet nodig is, mag uiteindelijk alleen worden verwezen naar (te treffen) maatregelen die daadwerkelijk stikstofdepositie reduceren.

Artikel delen