De burgemeester van Amsterdam heeft een bedrijfspand langdurig gesloten omdat het pand was beschoten met een automatisch vuurwapen. In de bestuursrechtelijke procedure is komen vast te staan dat de langdurige sluiting onrechtmatig was. In de onderhavige uitspraak van de AbRvS staat centraal of de door appellant gestelde schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen. De Afdeling maakt daarbij onderscheid tussen verschillende soorten schade en de vraag aan wie deze schade moet worden toegerekend.

Ten aanzien van de kosten voor verhuizing, tijdelijke huisvesting en naamswijziging oordeelt de Afdeling dat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen. Doorslaggevend is dat deze kosten zijn gemaakt door de vennootschap HBS en daarmee in haar vermogen vallen. Dat appellant als aandeelhouder indirect financieel nadeel ondervindt, maakt dit niet anders, nu sprake is van strikt gescheiden vermogens.
De gederfde huurinkomsten komen wel voor vergoeding in aanmerking. De Afdeling acht aannemelijk dat appellant als eigenaar van het pand daadwerkelijk huurinkomsten is misgelopen als gevolg van de onrechtmatige sluiting. Daarbij weegt mee dat potentiële huurders werden afgeschrikt door zowel de sluiting als negatieve uitlatingen door de gemeente. Omdat de exacte omvang van de huurschade niet kan worden vastgesteld, begroot de Afdeling deze schattenderwijs op € 2.000 per maand. Dit leidt, over de relevante periode, tot een schadevergoeding van € 25.000, waarmee het verzoek op dit punt volledig wordt toegewezen. AbRvS 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1725(Amsterdam)