In deze mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 30 december 2025 treft hij een opmerkelijke maatregel: een aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift, inhoudende dat pas mag worden begonnen met de werkzaamheden zodra het daarmee samenhangende provinciale inpassingsplan onherroepelijk is, wordt geschorst zodat de initiatiefnemer direct kan starten met de werkzaamheden.

De zaak betreft een omgevingsvergunning voor het tijdelijk herinrichten van een aantal straten en het kappen, dan wel verplanten van een groot aantal bomen. Dit alles ten behoeve van de aanleg van een warmtetransportleiding tussen Rijswijk en Leiden, genaamd WarmtelinQ. Hiervoor heeft de provincie Zuid-Holland een inpassingsplan vastgesteld, maar voor een aantal activiteiten was nog een omgevingsvergunning vereist. Aan deze omgevingsvergunning had het college van burgemeester en wethouders van Den Haag de voorwaarde verbonden dat WarmtelinQ pas met de werkzaamheden mocht beginnen zodra dit inpassingsplan onherroepelijk was. Tegen deze voorwaarde komt WarmtelinQ in beroep – en met een verzoek om een voorlopige voorziening – op.
De voorzieningenrechter behandelt de beroepsgronden van WarmtelinQ niet inhoudelijk, omdat deze zich kennelijk niet goed lenen voor een beoordeling tijdens de voorlopige voorziening. Het komt daarom aan op een belangenafweging tussen enerzijds het belang van het voorkomen van mogelijke onnodige bomenkap en anderzijds het belang van WarmtelinQ om zo snel mogelijk te kunnen starten met de werkzaamheden. Dat laatste belang laat de voorzieningenrechter hier zwaarder wegen, waarbij ook de reeds opgelopen vertraging met de behandeling van de bodemprocedure tegen het inpassingsplan en de financiële schade meeweegt. Dat het kappen van de bomen onomkeerbaar is maakt dat niet anders: het college vindt de kap van de bomen kennelijk (gelet op het feit dat de vergunning is verleend) aanvaardbaar, op WarmtelinQ na is verder geen beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning en de beroepen tegen het inpassingsplan richten zich niet tegen de aanleg van de warmteleiding. Achter de schermen heeft mogelijk ook een rol gespeeld dat de voorzieningenrechter van de Afdeling reeds heeft geoordeeld over het betreffende inpassingsplan (zie ECLI:NL:RVS:2024:4701) en daarbij de verwachting heeft uitgesproken dat het inpassingsplan in de bodemprocedure in stand zal blijven.
Bijzonder aan deze uitspraak is dat een voorlopige voorziening in de regel ziet op uitstel van de werkzaamheden totdat in de bodemprocedure is beslist, terwijl het college bij deze vergunning in feite zelf al de inwerkingtreding van de vergunning had geschorst totdat in (een andere) bodemzaak is beslist en de voorzieningenrechter deze ‘schorsing’ opheft. Opvallend is ook dat deze voorlopige voorziening niet berust op een rechtmatigheidstoetsing van het bestreden voorschrift – de gronden worden immers niet beoordeeld – maar uitsluitend op een belangenafweging. Van belang zal zijn geweest dat kennelijk niemand zich verzette tegen de kap van de bomen (en de beroepen tegen het inpassingsplan zich ook niet richtten tegen de aanleg van de warmtetransportleiding, aldus de voorzieningenrechter), zodat gezegd zou kunnen worden dat in feite niemand er een probleem mee zou hebben als WarmtelinQ vast begon met de werkzaamheden. Overigens werd dit verzoek behandeld door de Afdeling, omdat de omgevingsvergunning gecoördineerd was voorbereid met het inpassingsplan.