De Rechtbank Oost-Brabant oordeelt in zijn uitspraak van 27 februari 2026 (ECLI:NL:RBOBR:2026:1224) dat het dagelijks bestuur van het waterschap de op grond van de Waterwet aangevraagde watervergunning voor het verrichten van werkzaamheden aan diverse watergangen terecht heeft geweigerd, nu het niet mogelijk is om met het verbinden van vergunningvoorschriften tegemoet te komen aan de waterstaatkundige bezwaren die aanleiding vormden voor het weigeringsbesluit.

De rechtbank stelt bij zijn beoordeling voorop dat de systematiek van de Awb met zich brengt dat een bestuursorgaan bij een aanvraag dient te beslissen op grondslag van de aanvraag. Dit betekent volgens de rechtbank dat het bestuursorgaan niet buiten de grondslag van de aanvraag mag treden. Omdat de hydrologische voorstellen van de initiatiefnemers om de geconstateerde waterstaatkundige bezwaren te adresseren neerkomen op het realiseren van zelfstandig vergunningplichtige activiteiten die buiten het bestek van de aanvraag vallen, heeft het dagelijks bestuur zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat hij daarmee buiten de grondslag van de aanvraag zou treden en dat het hem niet vrijstond om deze activiteiten als vergunningvoorschrift aan de gevraagde omgevingsvergunning te verbinden. De stelling van de initiatiefnemers dat het niet verbinden van deze voorschriften geen recht doet aan de economische belangen die met de uitvoering van de aangevraagde werkzaamheden zijn gediend treft volgens de rechtbank geen doel: art. 6.21 Waterwet schrijft dwingend voor dat een watervergunning wordt geweigerd als de verlening niet verenigbaar is met de waterstaatkundige doelstellingen, genoemd in art. 2.1, eerste lid, Waterwet; de economische belangen van betrokkenen vallen daar niet onder, aldus de rechtbank.