Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Stichting misbruikt bevoegdheid Wvg om gevestigd voorkeursrecht te omzeilen 

De civiele kamer van de Rechtbank Gelderland oordeelt in zijn uitspraak van 11 maart 2026 (ECLI:NL:RBGEL:2026:1905) dat de stichting die in weerwil van een gevestigd voorkeursrecht het op haar perceel gevestigde recht van erfpacht wil vervreemden aan een derde haar bevoegdheid om te verzoeken een prijsbepalingsprocedure (als bedoeld in art. 13, eerste lid, Wet voorkeursrecht gemeenten, “Wvg”) te starten heeft misbruikt. Na een voorlopige aanwijzing van het college had de gemeenteraad op het perceel een voorkeursrecht gevestigd. Zolang het voorkeursrecht geldt, is de stichting niet vrij om het erfpacht ‘zomaar’ aan derden te verkopen.

10 April 2026

Samenvattingen

In casu wenste de stichting haar erfpachtrecht aan een derde (een andere partij dan de gemeente) te verkopen. Vanwege die voorgenomen vervreemding verzoekt de stichting bij de civiele rechter onder meer om een verklaring voor recht dat het voorkeursrecht niet meer geldt en zij vrij is om het erfpachtrecht te verkopen aan deze derde. Op basis van een reconstructie stelt de rechtbank vast dat de stichting na vestiging van het voorkeursrecht aan het college heeft laten weten bereid te zijn het pand te willen verkopen aan de gemeente tegen nader overeen te komen voorwaarden. De gemeente heeft daarop aangegeven in beginsel bereid te zijn tot aankoop tegen nader overeen te komen voorwaarden. Daarmee is volgens de rechtbank voldaan aan de artt. 11 en 12, eerste lid, Wvg. Ook is volgens de rechtbank voldaan aan het onderhandelingsvereiste van art. 13, eerste lid, Wvg en daarmee aan de ingangsvoorwaarde voor de vervreemder (in dit geval: de stichting) om het college te verzoeken binnen vier weken een rechterlijke ‘prijsbepalingsprocedure’ te starten, zoals de stichting in casu heeft gedaan. In zo’n situatie geeft de rechter een oordeel geeft over de verkoopprijs, indien en omdat partijen er gezamenlijk niet uitkomen (en de onderhandelingen dientengevolge zonder resultaat blijven). Bij overschrijding van de in art. 13, eerste lid, Wvg genoemde vierwekentermijn (of indien burgemeester en wethouders schriftelijk weigeren een dergelijk verzoekschrift in te dienen), heeft de vervreemder evenwel gedurende drie jaar de vrijheid tot vervreemding van zijn goed aan derden (art. 13, derde lid, jo. 12, tweede lid, Wvg).

De rechtbank ziet in het verweer van de gemeente, die zich verzet tegen de voorgenomen verkoop aan een derde partij, aanleiding om zich uit te laten over de toelaatbaarheid van de handelswijze van de stichting. De rechtbank overweegt dat uit art. 3:13, eerste lid, BW volgt dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet kan inroepen voor zover hij haar misbruikt. Daarvan is onder meer sprake als de uitoefening van die bevoegdheid plaatsvindt met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen (art. 3:13, tweede lid, BW). In art. 3:15 BW is bepaald dat art. 3:13 BW toepassing vindt buiten het vermogensrecht, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de stichting haar bevoegdheid om te verzoeken de prijsbepalingsprocedure te starten in dit geval misbruikt. Gelet op de relevante feiten en omstandigheden gedurende én na het verstrijken van de vierwekentermijn blijkt volgens de rechtbank uit niets dat de intentie van de stichting er daadwerkelijk op was gericht het erfpachtrecht aan de gemeente te verkopen noch op het bereiken van overeenstemming over de vervreemdingsvoorwaarden door middel van serieuze onderhandelingen of het starten van een gerechtelijke prijsbepalingsprocedure. Ook heeft de rechtbank de indruk dat de handelswijze van de stichting tot doel had te bereiken dat het college niet tijdig op het verzoek zou reageren, zodat zij na het verstrijken van de fatale vierwekentermijn vervreemdingsvrijheid zou verkrijgen (art. 13, derde lid, Wvg). Evenmin was het handelen van de stichting volgens de rechtbank geschikt om tijdig een bevestiging van de gemeente te verkrijgen dat zij vrij was om het erfpachtrecht te vervreemden aan derden. Tegen deze achtergrond concludeert de rechtbank dat de stichting te kwader trouw heeft gehandeld en misbruik heeft gemaakt van de bevoegdheid op grond van art. 13, eerste lid, Wvg om een verzoek bij het college in te dienen. De rechtbank concludeert daarom dat de overschrijding van de fatale vierwekentermijn van art. 13, eerste lid, Wvg in de gegeven omstandigheden niet leidt tot het daarmee beoogde rechtsgevolg (de vrijheid tot vervreemding aan derden gedurende drie jaar).

Artikel delen