Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Stinkende ORAC's in de Bloemenbuurt-Oost : Afdeling eist in dit geval onderzoek bij geurklachten

Geuremissie als inherent gevolg van ondergrondse restafvalcontainers (ORAC's) hoeft onder normale omstandigheden niet aan aanwijzing van een locatie in de weg te staan. Maar wat als omwonenden maandenlang massaal meldingen indienen over geuroverlast en het college naar aanleiding daarvan geen nader onderzoek ter plaatse heeft laten verrichten? Dan is het besluit in strijd met de vereiste zorgvuldigheid genomen. Dat oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 25 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1084).

25 February 2026

Samenvattingen

De zaak: 60 meldingen, nul onderzoek

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (hierna: ‘het college’) wees bij besluit van 5 september 2023 locatie 51-22A ter hoogte van de Wingerdstraat 101-103 aan voor drie ORAC's. Een omwonende stelde beroep in vanwege onaanvaardbare geuroverlast, vooral in de zomermaanden. Ter onderbouwing legde zij ongeveer 60 meldingen over van haarzelf en zes andere omwonenden, ingediend over een periode van vijf maanden (half mei tot half oktober 2025).

De ORAC’s stonden in de zomermaanden, dagelijks zo'n 13 tot 14 uur in de zon. Omwonenden hielden ramen dicht vanwege de geuroverlast en konden hun woningen daardoor niet laten afkoelen. Zelfs enkele dagen na reiniging van de ORAC’s begon de geuroverlast opnieuw.

Het college verweerde zich met de genomen maatregelen: wekelijkse lediging in de zomer, standaard twee keer per jaar reiniging van de ORAC’s en extra schoonmaak aan de buitenkant na meldingen over geuroverlast uit de omgeving. Maar de Afdeling stelde vast dat het college desgevraagd op zitting verklaarde dat nooit ter plaatse onderzoek is gedaan naar de mogelijke oorzaken van de geuroverlast en of er sprake is van onaanvaardbare geuroverlast als gevolg van de ORAC’s.

Vaste lijn doorbroken?

Het toetsingskader verandert niet. De Afdeling herhaalt haar vaste rechtspraak: gevolgen die inherent zijn aan ORAC's, zoals geuremissie, hoeven onder normale omstandigheden niet aan de aanwijzing van een locatie in de weg te staan (ABRvS 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1464).

Maar hier speelden locatiespecifieke omstandigheden een rol. De Afdeling overwoog dat wat appellante naar voren heeft gebracht voldoende aanleiding gaf voor het oordeel in dit specifieke geval dat het college niet zonder nader onderzoek de locatie had kunnen aanwijzen. Van belang daarbij was ook dat het college zelf verklaarde dat voor deze locatie significant meer meldingen over geuroverlast waren ingediend dan voor andere ORAC-locaties in Den Haag. Desondanks heeft het college ter plaatse geen onderzoek laten verrichten naar de mogelijke oorzaken van de geuroverlast en of er sprake is van onaanvaardbare geuroverlast.

De Afdeling is uiteindelijk van oordeel dat het college in dit specifieke geval ter plaatse had moeten onderzoeken of de ORAC’s tot onaanvaardbare geuroverlast leiden. Nu het college dat niet heeft gedaan is het besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (art. 3:2 Awb). Het besluit wordt vernietigd voor zover daarin locatie 51-22A is aangewezen voor de plaatsing van ORAC’s.

Wat betekent dit voor de praktijk?

Hoewel het een specifiek geval betrof kan een college bij vergelijkbare situaties waarbij sprake is van een substantieel aantal geurklachten niet volstaan met standaardmaatregelen zonder onderzoek naar onaanvaardbare geuroverlast, zeker niet als het aantal geurklachten voor de locatie significant meer is dan bij andere ORAC-locaties. Een louter reactief beleid van legen en reinigen is onvoldoende als de feitelijke situatie daar aanleiding toe geeft. Onderzoek ter plaatse of er sprake is van onaanvaardbare geuroverlast als gevolg van de ORAC’s kan in dat geval de aangewezen route zijn in het kader van de zorgvuldigheid voordat tot besluitvorming wordt overgegaan.

Artikel delen