In een recente uitspraak (ABRvS 14 januari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:266) oordeelt de rechtbank Gelderland over de vraag of de Tegelen-jurisprudentie ook toegepast kan worden onder de Omgevingswet.

De zaak gaat over een omgevingsvergunning voor de bouw van 33 woningen in de gemeente Oldebroek. De gemeente verleent in mei 2024 een omgevingsvergunning. De gronden waarop de woningen komen, zijn op dat moment bestemd voor wonen. Nadat de omgevingsvergunning is verleend, vernietigt de Afdeling op 21 mei 2025 het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan waar de omgevingsvergunning op gestoeld was. Hierdoor krijgen de gronden weer een agrarische bestemming, zonder de mogelijkheid om wegen of tuinen aan te leggen. Volgens eiseres betekent dit dat de vergunninghouder vanaf de vernietiging van het bestemmingsplan geen werkbare omgevingsvergunning (meer) heeft, ondanks dat die omgevingsvergunning destijds is verleend in overeenstemming met het vernietigde bestemmingsplan.
De rechtbank oordeelt anders dan het standpunt van eiseres en verwijst naar de vaste Tegelen-jurisprudentie. Daarin is bepaald dat bij de beoordeling van een omgevingsvergunning moet worden uitgegaan van het recht zoals dat gold op het moment van de vergunningverlening of het besluit op bezwaar. De vernietiging van het bestemmingsplan komt in dit geval pas later en verandert dus niets aan de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen.
De hoofdregel van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat de vernietiging van een besluit ook zorgt voor de vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit (zie artikel 8:72, tweede lid, Awb). De Tegelen-jurisprudentie vormt een uitzondering op deze hoofdregel voor besluiten over een omgevingsvergunning. Toch gaat deze uitzondering alleen op als de omgevingsvergunning in kwestie paste in het vernietigde bestemmingsplan. Bij binnen- en buitenplanse afwijkingen strekt de rechtszekerheid van een vergunninghouder niet zo ver dat een uitzondering op de hoofdregel gerechtvaardigd is.
De rechtbank bevestigt dat de Tegelen-jurisprudentie ook onder de Omgevingswet behouden blijft. Hoewel het juridische kader is vernieuwd, blijft het toetsmoment hetzelfde. Het limitatief-imperatieve stelsel van weigeringsgronden in het omgevingsplan van de gemeente Oldebroek, maakte dat het college niet anders kon dan de vergunning verlenen. De gemeente moet de zogenaamde gebonden omgevingsvergunning verlenen als het plan aan de eisen gesteld in het omgevingsplan voldoet. Er is dus geen ruimte voor een aanvullende specifieke afweging (zie artikel 8.0a, eerste lid, Bkl in samenhang met artikel 22.29 van het omgevingsplan van de gemeente Oldebroek).
De rechtbank erkent dat de vergunninghouder in de praktijk tegen problemen kan aanlopen, zoals het ontbreken van ontsluiting of nutsvoorzieningen. Echter zijn dit uitvoeringskwesties en hebben deze geen invloed op de juridische houdbaarheid van de omgevingsvergunning.
Voor gemeenten en ontwikkelaars biedt deze uitspraak de bevestiging dat verleende omgevingsvergunningen die in het vernietigde bestemmingsplan passen óók onder de Omgevingswet niet onderuitgaan als het onderliggende bestemmingsplan wordt vernietigd. Zolang het besluit tot verlenen van de gebonden omgevingsvergunning correct is genomen volgens de op dat moment geldende regels uit het omgevingsplan, blijft de omgevingsvergunning van kracht.