In de uitspraak van 28 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:486 staan de effecten van een telecommast van KNP in Heerenveen ter discussie. Daarvoor is een omgevingsvergunning verleend met een afwijking van het bestemmingsplan. Deze telecommast zal een bestaande telecommast op het perceel vervangen. De positie van de telecommast verplaatst daarbij naar het westen van het perceel, dichterbij de woning van appellant. Naast een procedureel gebrek, constateert de Afdeling ook een gebrek in de motivering enerzijds omdat onvoldoende onderzocht is of de visuele impact van de mast een onevenredige afbreuk van zijn woonsituatie veroorzaakt. Maar interessant is dat de Afdeling van mening is dat ook de effecten op de gezondheid onvoldoende zijn betrokken.

Het college heeft bij de beoordeling van de gezondheidseffecten het rapport 5G en Gezondheid van 2 september 2020 van de vaste Commissie Elektromagnetische velden van de Gezondheidsraad (hierna: het rapport 5G en Gezondheid) betrokken. En op basis daarvan geconcludeerd dat er geen redenen zijn de vergunning te weigeren vanwege gezondheidseffecten. Appellant vecht deze conclusies inhoudelijk aan en wijst er verder op dat in het rapport 5G en Gezondheid ook wordt geconcludeerd dat niet duidelijk is bij welk niveau van blootstelling aan straling schade optreedt en dat niet is uitgesloten dat dit al gebeurt ruim onder de richtlijnen van de ICNIRP. En in andere landen, zoals Zwitserland en Oostenrijk worden strengere richtlijnen gehanteerd. Het college is van mening dat er geen objectieve informatie beschikbaar is die leidt tot twijfel aan de conclusies van de Gezondheidsraad. En, er bestaat volgens het college geen wetenschappelijke consensus over de wetenschappelijke ondeugdelijkheid van de blootstellingslimieten van de ICNIRP. Dat in andere landen blijkbaar andere normen gelden voor straling is voor het college geen reden om de normering zoals deze in Nederland wordt gebruikt in twijfel te trekken.
De Afdeling volgt in een uitgebreide overweging het college in deze conclusie. Maar, is wel van oordeel dat het college in dit geval onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd wat de gevolgen van de vergunde telecommast zijn voor de straling op het perceel en in de woning van appellant. Artikel 6.4 van de planregels bepaalt dat een omgevingsvergunning alleen verleend kan worden als er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie. Een eventuele toename van de straling is een potentieel nadelig effect op de woonsituatie van appellant. Uit het rapport 5G en Gezondheid volgt ook dat het mogelijk is dat gezondheidseffecten al onder de blootstellingslimieten optreden. Daarom wordt in het rapport geadviseerd om naast de nieuwe ICNIRP-richtlijnen het ALARA-principe toe te passen. Dat betekent dat de blootstelling van de algemene bevolking en werknemers niet onnodig hoog moet zijn, ook als deze onder de limieten blijft, zolang dat redelijkerwijs haalbaar is.
De telecommast komt dichter bij de woning van appellant te staan. Gelet op de korte afstand van de telecommast tot het perceel en de woning van appellant had het dan ook op de weg van het college gelegen om te onderzoeken welke gevolgen de nieuwe locatie van de telecommast heeft voor de hoeveelheid straling. En, omdat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt wat de precieze effecten op de woonsituatie van appellant zijn, heeft het college ook niet kunnen concluderen of eventuele alternatieven tot aanmerkelijk minder bezwaren leiden en of eventuele financiële schade van appellant aanleiding had moeten geven tot het weigeren van de omgevingsvergunning. Het college krijgt een herstelopdracht.