In het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten alle relevante geluidbronnen worden betrokken bij de beoordeling of een vastgesteld bestemmingsplan wel voorziet in een goed woon- en leefklimaat. In de uitspraak van 4 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1242) heeft de Afdeling dat maar weer eens bevestigd. Het bestemmingsplan "De Scheg midden" leidt tot een toename aan verkeer en dus verkeersgeluid. Omwonenden klaagden met succes erover dat bij de beoordeling van het verkeersgeluid, ten onrechte geen rekening is gehouden met cumulatie van luchtverkeersgeluid.

De raad heeft hangende het beroep alsnog onderzocht wat het cumulatief effect was. Het betrof een toename van 3 dB. De raad heeft nadien onderbouwd waarom die toename wat hem betreft niet tot een onaanvaardbare verslechtering van het woon- en leefklimaat van de omwonenden leidt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad aan de hand van deze onderbouwing alsnog deugdelijk gemotiveerd waarom hij de berekende gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar vindt. De raad heeft daarover gemotiveerd dat een berekende toename van 2 à 3 dB ten opzichte van de bestaande situatie een waarneembaar effect is, maar geen sterke verslechtering van het akoestisch woon- en leefklimaat. De Afdeling laat de rechtsgevolgen van het plan daarom in stand.
AbRvS 4 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1242.