Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Toch weer uitspraak dat als ten onrechte bij een handhavingszaak de Omgevingswet is toegepast het gebrek kan worden gepasseerd

Ik heb al vaker geschreven over de discrepantie tussen de tekst van de wet en de MvT bij de Invoeringswet Ow inzake het handhavingsovergangsrecht als er voor 1-1-2024 enkel een voornemen is genomen:

21 November 2025

Samenvattingen

Overgangsrecht Omgevingswet handhaving: verkeerde recht toegepast, gebrek toch weer gepasseerd

Meestal kon dit gebrek worden gepasseerd als er inhoudelijk gezien geen verschillen bestaan tussen de verbodsbepaling uit het oude recht (dat toch van toepassing blijft) en de Omgevingswet.

De Rechtbank Zeeland-West-Brabant deed eerder op 2 juli 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:3989) een andersoortige uitspraak en vernietigde het ten onrechte met de Ow voorbereide besluit wel.

Op 21 november 2025 deed de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2025:7867) weer een uitspraak waar dit gebrek wel kon worden gepasseerd.

De ABRvS heeft in een uitspraak van 3 juli 2024 overwogen dat als een bestuursorgaan vóór 1-1-2024 toepassing heeft gegeven aan art. 4:8 Awb, op het bestuurlijk sanctiebesluit oud recht van toepassing is, ook als het sanctiebesluit na 1-1- 2024 is genomen (ECLI:NL:RVS:2024:2645).

Eisers zijn in de brief van 21-9-2023 door het college in de gelegenheid gesteld om een zienswijze naar voren te brengen over het voornemen tot handhavend optreden. Hiermee is toepassing gegeven aan art. 4:8 Awb. Dat betekent dat oud recht van toepassing is.

De rb. stelt vast dat het college het bestreden besluit heeft gebaseerd op de Ow. Dat is onjuist en dus een gebrek in het bestreden besluit. De rb. oordeelt dat het besluit door dit gebrek vernietigd moet worden. Dit betekent echter niet automatisch dat de rechtsgevolgen van de opgelegde last onder dwangsom niet in stand kunnen blijven. Het college heeft namelijk de last opgelegd, omdat de woning in strijd met de planregels en de bestemming, die aan de woning zijn toegekend, wordt gebruikt. Die planregels en bestemming zijn met de inwerkingtreding van de Ow niet gewijzigd. De conclusie is dat de materiële normstelling bij de vergelijking tussen oud en nieuw recht niet is gewijzigd en dat de toepassing van oud recht niet leidt tot een andere last.

Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit is genomen op basis van nieuw recht in plaats van oud recht en omdat in het bestreden besluit een motiveringsgebrek is geconstateerd. Mede omdat de materiële normstelling bij de vergelijking tussen oud en nieuw recht niet is gewijzigd en het college het motiveringsgebrek met de motivering op zitting heeft hersteld, is de rb. van oordeel dat het college de last onder dwangsom mocht opleggen vanwege een overtreding van artikel 19.1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan in samenhang met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Daarom laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand.

Artikel delen