Uit de Afdelingsuitspraak van 11 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1379) volgt dat op de minister van Infrastructuur en Waterstaat een extra motiveringsplicht rust bij het toepassen van het in de rechtspraak ontwikkelde ‘additionaliteitsvereiste’. Aanleiding voor dit oordeel was de voortgezette behandeling van het tegen de tracébesluiten ter verbreding van een aantal rijkswegen, nadat de Afdeling hierover op 30 april 2025 een tussenuitspraak had gedaan (ECLI:NL:RVS:2025:1971) en de minister van Infrastructuur en Waterstaat in de gelegenheid had gesteld om enkele geconstateerde gebreken ter herstellen.

Een van die gebreken had betrekking op de toepassing van extern salderen: de minister had volgens de Afdeling niet voldaan aan het zogenoemde additionaliteitsvereiste. Dit vereiste houdt in dat de inzet van de (gedeeltelijke) beëindiging van de saldogevers alleen mogelijk is als voldoende is verzekerd dat die beëindiging niet al nodig is voor het behoud van de gunstige staat van instandhouding van de natuurwaarden in de betrokken Natura 2000-gebieden of niet al nodig is voor herstel van de gunstige staat van instandhouding (art. 6, eerste lid, Habitatrichtlijn, “Hrl”; de zogenoemde instandhoudingsmaatregelen) en ook niet nodig is om dreigende verslechteringen en verstoringen die significante gevolgen kunnen hebben op de natuurwaarden in de betrokken Natura 2000-gebieden te voorkomen (art. 6, tweede lid, Hrl; de zogenoemde passende maatregelen). De Afdeling oordeelt in deze einduitspraak dat de minister ook na de tussenuitspraak onvoldoende heeft onderbouwd dat aan dit additionaliteitsvereiste is voldaan. De minister heeft volgens de Afdeling in zijn onderbouwing namelijk geen rekening gehouden met de natuurdoelanalyses (NDA’s) die voor de betrokken Natura 2000-gebieden zijn opgesteld en met de toetsing daarvan door de Ecologische Autoriteit. De Afdeling wijst erop dat de stelling van de minister dat hij op grond van de Wet natuurbescherming (“Wnb”) niet het bestuursorgaan is dat bevoegd en/of gehouden is om instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen te treffen voor de aan de orde zijnde Natura 2000-gebieden te kort door de bocht is. Zo bestaan voor de rijksoverheid bevoegdheden om invloed uit te oefenen op de staat van de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden (vgl. de Afdelingsuitspraak van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193). Te denken valt aan de bevoegdheid tot het vaststellen van omgevingswaarden (art. 1.12a Wnb) en het vaststellen van een programma (art. 1.13 Wnb) of het beschikbaar stellen van subsidies om invloed uit te oefenen op het voorkomen van een (dreigende) verslechtering of significante verstoring en op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Anders dan voor een gemeenteraad, waarvoor in het kader van het additionaliteitsvereiste een zogenoemde vergewisplicht geldt, volstaat naar het oordeel van de Afdeling voor de minister niet dat hij zich er alleen van vergewist dat in openbaar raadpleegbare gegevens al dan niet aanwijzingen staan over al dan niet het treffen van (aanvullende) instandhoudings- en passende maatregelen.