Gemeenten ontvangen veel verzoeken van netbeheerders om kleinschalige nutsvoorzieningen te plaatsen, zoals transformatorstations (“trafohuisjes”). In veel gemeenten geldt daarvoor een vergunningplicht. De vraag is of dat kan als het bouwwerk op grond van de landelijke regeling vergunningvrij is?

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft hierover een duidelijke uitspraak gedaan.
Liander plaatste een transformatorstation in Zevenhoven. Op grond van het toenmalige Besluit omgevingsrecht (Bor) meende Liander dat het bouwwerk vergunningvrij was. Toch diende zij – “onder protest” – een aanvraag in. Volgens de gemeente was toch een vergunning nodig op basis van artikel 5 lid 1 van de Algemene Verordening Kabels en Leidingen gemeente Nieuwkoop 2020 (verordening). Daarin stond het verbod om “werkzaamheden van ingrijpende aard” te verrichten zonder (start)melding/vergunning/instemmingsbesluit.
Artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel 18 van Bijlage II van het Bor bepaalde dat voor het bouwen van het transformatorstation en het daarvoor gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de Wabo is vereist. Volgens artikel 5, eerste lid, van de verordening is voor het plaatsen van een transformatorstation wel een vergunning vereist.
Liander procedeerde tot aan de Afdeling over de vraag of deze gemeentelijke vergunningplicht kon gelden ondanks dat het transformatorhuisje op grond van het Bor vergunningsvrij was.
Allereerst stelt de Afdeling vast dat de verordening niet in strijd is met artikel 121 Gemeentewet. De toenmalige Wabo/Bor gaan over activiteiten in de fysieke leefomgeving. De gemeentelijke verordening had vooral een ander motief: regie en coördinatie van werkzaamheden in de publieke ruimte, het beperken van overlast en maatschappelijke kosten. Omdat sprake is van verschillende onderwerpen is de verordening daarmee niet in strijd.
De Afdeling vindt dat de lagere regeling afbreuk doet aan een uitputtend stelsel in een hogere regeling, het Bor. Uit de wetgeschiedenis van de Wabo en met name bijlage II Bor volgt dat de wetgever uitputtend heeft willen regelen wanneer kleine nutsvoorzieningen vergunningvrij zijn. Artikel 5 van de verordening maakte het plaatsen van een transformatorhuisje alsnog afhankelijk van een gemeentelijke vergunning/instemming. Feitelijk ontstaat dan tóch een voorafgaande toestemming voor een bouwwerk dat landelijk vergunningvrij is. Dat is volgens de Afdeling niet toegestaan. Liander krijgt dus gelijk in hoger beroep.
De Afdeling bepaalt dat artikel 5 van de verordening buiten toepassing moet worden gelaten. De eerder verleende omgevingsvergunning wordt herroepen, omdat voor dit bouwwerk geen vergunning is vereist.
Onder de Omgevingswet geldt dat voor de bouwactiviteit (omgevingsplan) deze activiteit vergunningsvrij is, als de oppervlakte maximaal 15 m2 is en de hoogte maximaal 3 meter. Dit staat in artikel 2.29 onder p van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)
Onder het Bbl zijn de bouwwerken via artikel 2.25 van het Bbl (aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwactiviteit: bouwwerken met een dak) bedoeld om vergunningvrij te zijn. Op grond van artikel 2.25 van het Bbl is een bouwactiviteit wel vergunningplichtig als daardoor een hoofdgebouw ontstaat.
Als een omgevingsplan voorziet in een functietoedeling die alleen nutsvoorzieningen toestaan, dan worden die voorzieningen beschouwd als hoofdgebouw en zijn die alsnog vergunningplichtig. Om die reden is een bouwwerk voor een nutsvoorziening alsnog uitgezonderd van de vergunningplicht in artikel 2.27, tweede lid, onder n, van het Bbl.
Heeft u te maken met een vergelijkbare situatie, twijfelt u over de vergunningplicht of wilt u advies over de toepassing van de Omgevingswet? Onze specialisten denken graag met u mee.