De voorzieningenrechter oordeelt dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de uitgestelde inwerkingtreding van artikel 16.79, tweede lid, Omgevingswet bij een omgevingsvergunning voor de sloop van een gebouw in een beschermd stadsgezicht.

Hoewel het college aanvankelijk stelde dat de vergunning pas na vier weken in werking zou treden, heeft het later het standpunt ingenomen dat daarvan geen sprake is omdat het te slopen gebouw geen bijzondere cultuurhistorische waarde zou hebben. Die redenering houdt geen stand. Vaststaat dat de sloop leidt tot een onomkeerbare wijziging van de bestaande toestand en dat de vergunning is verleend op grond van planregels die juist strekken tot bescherming van die bestaande toestand. Daarmee is voldaan aan beide criteria van artikel 16.79, tweede lid, Ow.
Volgens de voorzieningenrechter kan een inhoudelijk oordeel over de vraag of sloop aanvaardbaar is binnen het beschermingsregime niet worden vermengd met de vraag óf de uitgestelde inwerkingtreding geldt. Die regeling is juist bedoeld om te voorkomen dat rechtsbescherming illusoir wordt doordat al wordt gesloopt voordat de rechter zich kan uitlaten. Het college had daarom moeten bepalen dat de vergunning pas na vier weken in werking treedt.
Vz Rechtbank Rotterdam, 9 december 2025, gepubliceerd 9 januari 2026, ECLI:NL:RBROT:2025:15306