Twee broers uit Leutingewolde (gemeente Noordenveld) hebben een geschil over de opslag van hooibalen door een van hen. Die opslag vindt plaats binnen een agrarisch bouwblok. De andere broer is ook deels eigenaar van het agrarische perceel met bouwblok, en oefent daar een agrarisch bedrijf uit. De vraag die in de procedure bij de Afdeling voorligt, is of op de gronden met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" de uitoefening van (activiteiten van) meerdere agrarische bedrijven in het bouwvlak zijn toegestaan.

Het college meent dat binnen het bouwvlak de vestiging van maar één agrarisch bedrijf is toegestaan, maar dat door het tijdelijk plaatsen van grasbalen geen sprake is van het vestigen van een tweede bedrijf binnen het bouwvlak. De opslag van grasbalen is op grond van het bestemmingsplan een toegestane agrarische activiteit, aldus het college.
De Afdeling stelt voorop dat artikel 4.1, aanhef en onder a, van de planregels niet spreekt over het vestigen van het agrarisch bedrijf, maar van de uitoefening van het agrarisch bedrijf. In de tekst van deze bepaling wordt 'het agrarisch bedrijf' in enkelvoud gebruikt. Dit duidt erop dat een beperking is gesteld aan het aantal bedrijven dat op de gronden mag worden uitgeoefend. Maar in dit geval zou met de gebruikte formulering ook kunnen worden gedoeld op de uitoefening van agrarische bedrijvigheid in zijn algemeenheid. Naar het oordeel van de Afdeling is de planregel op zichzelf bezien daarom niet duidelijk over hoeveel bedrijven op het hier aan de orde zijnde perceel mogen worden uitgeoefend. De betekenis van de bepaling wordt ook niet duidelijk als deze wordt gelezen in samenhang met andere onderdelen van de planregels. Naar het oordeel van de Afdeling komt daarom betekenis toe aan de plantoelichting. In de toelichting staat onder meer dat de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" is gegeven aan alle volwaardige agrarische bedrijven en dat per afzonderlijk bedrijf een bouwvlak is aangegeven. De Afdeling leidt uit de toelichting af dat het de bedoeling is geweest dat op gronden met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" en de aanduiding "bouwvlak" maar één agrarisch bedrijf mag worden uitgeoefend. Hieruit vloeit naar het oordeel van de Afdeling voort dat ook maar één agrarisch bedrijf agrarische activiteiten mag uitoefenen.
Omdat er al een agrarisch bedrijf (van de ene broer) wordt uitgeoefend, is de opslag van grasbalen op die gronden (door de andere broer) in strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft zich daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een overtreding en het daarom niet bevoegd is handhavend op te treden.
AbRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2617