Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Uitleg compensatieverplichting Tweede Maasvlakte door Afdeling: geen overtreding

Op 17 april 2008 is op grond van de Nbw 1998 een vergunning verleend voor de aanleg en aanwezigheid van de Tweede Maasvlakte en de daarvoor benodigde zandwinning. De locatie waar de Tweede Maasvlakte was voorzien, lag in het Natura 2000-gebied Voordelta. Voor dit gebied kon niet op grond van de passende beoordeling de zekerheid worden verkregen dat de natuurlijke kenmerken niet zouden worden aangetast.

13 February 2026

Daarom is destijds op basis van de adc-criteria een natuurvergunning verleend. Het twistpunt in deze procedure is of het Havenbedrijf voldoet aan de compensatieverplichting (omdat de maatregelen niet de beoogde effecten hebben). De Afdeling overweegt in deze zaak dat het compensatievoorschrift 23a nadere uitleg behoeft aan de hand van het doel, de strekking en het systeem, omdat uit de tekst van het voorschrift niet duidelijk volgt wanneer er een overtreding van dat voorschrift is.

Op basis van art. 23a “dient in ieder geval, alvorens met de vergunde werkzaamheden een aanvang wordt genomen, binnen het in figuur 3.3 op pagina 59 van de PKB PMR (2006) aangegeven zoekgebied in de Voordelta, een bodembeschermingsgebied te zijn ingesteld, met het oogmerk om dit ingesteld te houden, van minimaal 24.550 hectare groot:

- waarin dusdanige beperkingen gelden voor bodemberoerende visserij dat daarmee, door een ecologische winst van 10% te realiseren, de als gevolg van de vergunde activiteiten in het Natura 2000-gebied Voordelta optredende significante effecten op habitattype 1110 in voldoende mate worden gecompenseerd, én;

- waarbinnen rustgebieden worden ingesteld met een dusdanige begrenzing en waarin dusdanige beperkingen voor visserij en recreatie gelden, dat daarmee de als gevolg van de vergunde activiteiten in het Natura 2000 -gebied Voordelta optredende significante effecten op de zwarte zee-eend, grote stern en visdief in voldoende mate worden gecompenseerd."

De rechtsvraag die hier voorligt, is of het Havenbedrijf, nadat de aanleg van de Tweede Maasvlakte was afgerond, gelet op de uitkomst van de monitoring, in strijd handelde met voorschrift 23a, omdat de beoogde effecten van de compenserende maatregelen, zoals nader omschreven onder het eerste gedachtestreepje, zich niet of in mindere mate hebben voorgedaan. De Afdeling leest in de tekst van het voorschrift niet dat het havenbedrijf moet wachten met de aanleg en aanwezigheid van de Tweede Maasvlakte totdat uit monitoring blijkt dat de compenserende maatregelen het beoogde effect ook daadwerkelijk hebben bereikt. Dat achteraf blijkt dat de compenserende maatregelen niet het beoogde effect hebben gehad, betekent dus niet dat het havenbedrijf niet had mogen beginnen met de aanleg van de Tweede Maasvlakte. De Afdeling komt in deze zaak tot een andere uitleg dan de rechtbank, hetgeen betekent dat er geen sprake is van een overtreding.

AbRvS 11 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:744

Artikel delen