Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Uitspraak al dan niet overtreding vergunningsvrij bouwen art. 2.29 Bbl

Rechtbank Gelderland 7 mei 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:3669. Verzoeker stelt dat er wijzigingen zijn aangebracht met betrekking tot kozijnen in meerdere gevels van de woning en de lichtstraat in het dakvlak. Deze wijzigingen vallen volgens verzoeker onder vergunningsvrije activiteiten zoals verwoord in artikel 2.29, onder c respectievelijk e, van het Bbl.

13 May 2026

De voorzieningenrechter stelt vast dat artikel 2.29, onder c, van de Bbl, ziet op het plaatsen van een lichtstraat en niet zoals door verzoeker is betoogd ook op het verwijderen van een lichtstraat. Daarbij heeft het college aangegeven dat het verwijderen van de lichtstraat ook gevolgen heeft voor de hoeveelheid daglicht in de woning en dat moet worden getoetst of nog aan de criteria van het bouwbesluit wordt voldaan. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het verwijderen van de lichtstraat daarom niet vergunningsvrij op grond van voormeld artikel. Dat de lichtstraat niet in een leefruimte was ingetekend, maakt het niet anders.

Daarnaast stelt de voorzieningenrechter vast dat uit artikel 2.29, onder e, van de Bbl volgt dat alleen het plaatsen van kozijnen in of aan de achtergevel of een niet naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw, vergunningsvrij is. Op zitting heeft verzoeker toegelicht dat het gaat om wijzigingen in de kozijnen zowel aan de achtergevel als aan de zij- en voorgevels. Dit betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat de wijzigingen in de kozijnen aan de achtergevel en de gevel gericht naar de buren vergunningsvrij zijn. In zoverre kan het college niet handhavend optreden. Dit is anders ten aanzien van de kozijnen in de zijgevel gericht naar het openbaar toegankelijk gebied en de voorgevel. Deze wijzigingen zijn naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet vergunningsvrij op grond van voormeld artikel en daarom is er sprake van een overtreding.

De voorzieningenrechter stelt dat vast dat niet in geschil is dat er door verzoeker wijzigingen zijn aangebracht aan de vloer- en de dakconstructie. Op dit moment is onduidelijk welke gevolgen deze wijzigingen hebben voor de constructie, omdat daarvoor eerst een nieuwe berekening en beoordeling nodig is. Het college beschikt nog niet over alle tekeningen van verzoeker ten aanzien van de constructie. Nu verzoeker niet heeft onderbouwd dat deze wijzigingen zijn toegestaan/vergunningsvrij zijn, is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat er sprake is van een overtreding ten aanzien van de vloer- en dakconstructie

UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN

Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van 4 maart 2026, waarin een last onder dwangsom is opgelegd omdat de woning aan de [locatie] in [plaats] niet overeenkomstig de verleende omgevingsvergunning wordt gebouwd.

Verzoeker is eigenaar van het perceel aan de [locatie] in [plaats]. Op 12 februari 2021 is aan verzoeker een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een vrijstaand woonhuis met aangebouwde bijgebouwen op dit perceel. Daarnaast is op 11 februari 2025 aan verzoeker een omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk plaatsen van een woonunit op het perceel. Deze vergunning gold tot 30 september 2025.

aar aanleiding van een verzoek om handhaving heeft de toezichthouder een controle uitgevoerd. De toezichthouder heeft geconstateerd dat de uitgevoerde bouwwerkzaamheden afwijken van de verleende omgevingsvergunning en de daarbij behorende tekeningen en bescheiden. Daarnaast werd een tijdelijke woonunit in stand gehouden zonder omgevingsvergunning.

Op 18 november 2025 heeft het college een voornemen tot oplegging van een last onder dwangsom naar verzoeker gestuurd. Verzoeker heeft op 21 november 2025 een zienswijze ingediend.

Bij besluit van 16 december 2025 is de vergunning voor de tijdelijke woonunit verlengd tot 15 januari 2026. Na afloop van deze vergunning is een controle uitgevoerd. Geconstateerd is dat de tijdelijke woonunit van het perceel is verwijderd. De overtreding is beëindigd.

Bij besluit van 4 maart 2026 heeft het college verzoeker een last onder dwangsom opgelegd gericht op het herstellen van de situatie conform de verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van de woning. Verzoeker dient de overtreding van artikel 5.1 en artikel 5.5. van de Omgevingswet (Ow) direct, binnen vier weken na de verzenddatum van het besluit, te beëindigen en beëindigd te houden. De hoogte van de dwangsom is gesteld op € 2.000,- per week, tot een maximum van drie termijnen. De overtreding kan worden beëindigd door het bouwwerk in overeenstemming te brengen met het vergunde ontwerp of door een wijzigingsverzoek in te dienen. Na ontvangst van het wijzigingsverzoek zal het college de mogelijkheid tot legalisatie van het bouwwerk beoordelen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader

Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow) is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Onder een omgevingsplanactiviteit valt onder meer een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan van de gemeente Rozendaal. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten.

Op grond van artikel 5.5, tweede lid, aanhef en onder c, van de Ow is het verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit.

Artikel 2.25 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) luidt als volgt. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, geldt voor een bouwactiviteit, voor zover die betrekking heeft op een gebouw of ander bouwwerk met een dak en dat gebouw of andere bouwwerk:

a. niet op de grond staat;

b. hoger is dan 5 m;

c. bij meer dan een bouwlaag, is voorzien van een verblijfsgebied op de tweede bouwlaag of hoger;

d. is voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;

e. als gevolg van de bouwactiviteit een hoofdgebouw wordt; of

f. een bouwwerk is waaroverheen een weg, spoorweg of waterweg loopt.

Artikel 2.29 van het Bbl luidt als volgt. Onverminderd regels in het omgevingsplan over het in stand houden van een bouwwerk die betrekking hebben op de ernstige ontsiering van het uiterlijk van dat bouwwerk, geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, niet voor een omgevingsplanactiviteit voor zover de activiteit betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken:

c. een dakraam, daklicht, lichtstraat of soortgelijke daglichtvoorziening in een dak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

1°. bij plaatsing in het achterdakvlak, een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak of een plat dak:

i. de constructie steekt niet meer dan 0,6 m uit buiten het dakvlak respectievelijk het platte dak; en

ii. zijkanten, onder- en bovenzijde meer dan 0,5 m van de randen van het dakvlak of het platte dak; en

2°. bij plaatsing in een ander dakvlak dan bedoeld onder 1°:

i. de constructie steekt niet uit buiten het dakvlak; en

ii. zijkanten, onder- en bovenzijde meer dan 0,5 m van de randen van het dakvlak;

(…)

e. een kozijn, kozijninvulling, gevelpaneel, isolatieplaat of boeideel, of stucwerk, bij plaatsing in of aan de achtergevel of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een hoofdgebouw, of in of aan een gevel van een bijbehorend bouwwerk, voor zover die gevel is gelegen in achtererfgebied.

Is er sprake van een overtreding?

Niet in geschil is dat de woning in afwijking van de verleende omgevingsvergunning wordt gebouwd. Gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en het besprokene op zitting stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoeker de navolgende wijzigingen in de bouw(constructie) van de woning heeft aangebracht:

- aanpassingen van kozijnen en het laten vervallen van de lichtstraat in het dakvlak;

- verschuiving van de trapopgang in hetzelfde vloerveld en versmalling van het trapgat;

- wijziging van een betonnen afwerkvloer naar droogbouw gipsen vloerelementen;

- wijziging houten dakafwerking met daaronder bitumineuze dakbedekking naar sendzimir verzinkt stalen felsdakplaten.

Kozijnen en lichtstraat

Verzoeker stelt dat er wijzigingen zijn aangebracht met betrekking tot kozijnen in meerdere gevels van de woning en de lichtstraat in het dakvlak. Deze wijzigingen vallen volgens verzoeker onder vergunningsvrije activiteiten zoals verwoord in artikel 2.29, onder c respectievelijk e, van het Bbl.

Het college betwist dat het wijzigen van kozijnen en het verwijderen van de lichtstraat vergunningsvrij zijn.

De voorzieningenrechter stelt vast dat artikel 2.29, onder c, van de Bbl, ziet op het plaatsen van een lichtstraat en niet zoals door verzoeker is betoogd ook op het verwijderen van een lichtstraat. Daarbij heeft het college aangegeven dat het verwijderen van de lichtstraat ook gevolgen heeft voor de hoeveelheid daglicht in de woning en dat moet worden getoetst of nog aan de criteria van het bouwbesluit wordt voldaan. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het verwijderen van de lichtstraat daarom niet vergunningsvrij op grond van voormeld artikel. Dat de lichtstraat niet in een leefruimte was ingetekend, maakt het niet anders.

Daarnaast stelt de voorzieningenrechter vast dat uit artikel 2.29, onder e, van de Bbl volgt dat alleen het plaatsen van kozijnen in of aan de achtergevel of een niet naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw, vergunningsvrij is. Op zitting heeft verzoeker toegelicht dat het gaat om wijzigingen in de kozijnen zowel aan de achtergevel als aan de zij- en voorgevels. Dit betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat de wijzigingen in de kozijnen aan de achtergevel en de gevel gericht naar de buren vergunningsvrij zijn. In zoverre kan het college niet handhavend optreden. Dit is anders ten aanzien van de kozijnen in de zijgevel gericht naar het openbaar toegankelijk gebied en de voorgevel. Deze wijzigingen zijn naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet vergunningsvrij op grond van voormeld artikel en daarom is er sprake van een overtreding.

Constructie

Verzoeker stelt dat er geen wijzigingen zijn doorgevoerd ten aanzien van de principes en hoofdopzet van de hoofddraagconstructie. De ingrepen hebben juist geresulteerd in een lagere belasting van de hoofddraagconstructie, waardoor er een mate van overdimensionering is ontstaan.

Het college stelt zich op het standpunt dat de aangebrachte wijzigingen invloed hebben op het bouwplan en dat deze opnieuw voor toetsing moet worden uitgezet via de formele weg.

De voorzieningenrechter stelt dat vast dat niet in geschil is dat er door verzoeker wijzigingen zijn aangebracht aan de vloer- en de dakconstructie. Op dit moment is onduidelijk welke gevolgen deze wijzigingen hebben voor de constructie, omdat daarvoor eerst een nieuwe berekening en beoordeling nodig is. Het college beschikt nog niet over alle tekeningen van verzoeker ten aanzien van de constructie. Nu verzoeker niet heeft onderbouwd dat deze wijzigingen zijn toegestaan/vergunningsvrij zijn, is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat er sprake is van een overtreding ten aanzien van de vloer- en dakconstructie.

Omdat sprake is van een overtreding is het college, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, bevoegd om handhavend op te treden door middel van een last onder dwangsom.

Beginselplicht tot handhaving

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat.

Daarnaast kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er op dit moment geen concreet zicht is op legalisatie, alleen al omdat er geen wijzigingsaanvraag voor een omgevingsvergunning voor de woning is ingediend. Bovendien geeft het college aan eerst aan de hand van de berekeningen en stukken moeten worden getoetst of aan de criteria van het bouwbesluit wordt voldaan, voordat beoordeeld kan worden of legalisatie mogelijk.

Verzoeker voert aan dat hij meerdere berekeningen bij het college heeft ingediend en dat het college op basis daarvan wel een inschatting kan maken of de wijzigingen zijn toegestaan of niet. De voorzieningenrechter is op zitting gebleken dat verzoeker nog niet alle (constructie)berekeningen aan het college heeft verstrekt. Bovendien heeft verzoeker pas een aantal berekeningen aan het college verstrekt nadat een verzoek om handhaving is ingediend. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het niet onevenredig om onder die omstandigheden handhavend op te treden. Dat het college verzoeker daarbij de keuze heeft gegeven om ofwel de bestaande omgevingsvergunning na te leven, ofwel de wijzigingen ter toetsing aan het college voor te leggen middels een wijzigingsaanvraag, is evenmin onevenredig.

Verzoeker heeft geen andere bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat handhavend optreden onredelijk is.

Dwangsom

Verzoeker voert aan dat de dwangsom onredelijk hoog is gelet op de weigering van het college om de berekeningen van verzoeker te controleren en legalisatieonderzoek te doen.

De voorzieningenrechter overweegt dat het college op zitting heeft toegelicht dat hij voor de hoogte van de dwangsom heeft aangesloten bij het landelijk beleid ten aanzien van dwangsommen. De hoogte van de dwangsom komt de voorzieningenrechter niet onredelijk voor gelet op hetgeen het college hiermee wil bereiken.

Begunstigingstermijn

Verzoeker betoogt dat de begunstigingstermijn (vier weken) voor het terugbrengen van de bouw in de vergunde situatie onredelijk kort is.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het college na indiening van het verzoek om een voorlopige voorziening de begunstigingstermijn heeft verlengd tot de uitspraak van de voorzieningenrechter. Om verzoeker in de gelegenheid te stellen om aan de last te voldoen, zal de voorzieningenrechter de begunstigingstermijn verlengen tot 4 weken na zijn uitspraak. Verzoeker heeft niet onderbouwd dat het niet mogelijk is om binnen deze periode de benodigde aanvraag met berekeningen en stukken aan te leveren (met uitzondering van de wijzigingen aan de achterzijde en één zijgevel van de woning) dan wel de aanpassingen te verrichten.

Conclusie en gevolgen

Het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Wel zal de voorzieningenrechter bepalen dat verzoeker een termijn van vier weken na de datum van deze uitspraak wordt gegund om aan de last te voldoen.

Artikel delen