Deze uitspraak gaat dus over de belanghebbendheid in de zin van art. 1:2, derde lid 3 Awb. Het college heeft aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwkundig splitsen van een eengezinswoning in 4 zelfstandige woningen.

Volgens vaste rechtspraak moet bij de beoordeling of een rechtspersoon feitelijke werkzaamheden verricht met het oog op de behartiging van haar doelstelling, worden uitgegaan van de feitelijke werkzaamheden die de rechtspersoon heeft verricht tot uiterlijk de dag voor het einde van de termijn waarbinnen bezwaar kan worden gemaakt. Verder geldt dat het louter in rechte opkomen tegen besluiten als regel niet wordt aangemerkt als het verrichten van feitelijke werkzaamheden in de zin van art. 1:2, lid 3 Awb. Evenmin kunnen als zodanig worden aangemerkt werkzaamheden die daarmee verband houden, zoals het indienen van zienswijzen over ontwerpbesluiten, het vergaren van informatie ten behoeve van bestuursrechtelijke procedures en het via de website informeren van derden over aanhangige of afgeronde procedures.
Om te kunnen bepalen of het belang van de stichting rechtstreeks is betrokken bij de verleende omgevingsvergunning is, naast het doel van de stichting, van belang of de stichting feitelijke werkzaamheden heeft verricht met het oog op de behartiging van deze doelstelling. De hoedanigheid van belanghebbende kan in beginsel worden verkregen uiterlijk op de dag waarop in dit geval de bezwaartermijn eindigt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1835, onder 7.3).
Niet is in geschil dat de stichting op 3 december 2020 per e-mail een inspraakreactie heeft gegeven op de Huisvestingsverordening Amsterdam 2021 als bijdrage aan een raadsvergadering.
Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de stichting met deze enkele inspraakreactie niet voldoende feitelijke werkzaamheden heeft verricht waaruit, in samenhang met de vermelde zeer ruim geformuleerde doelstelling van de statuten, blijkt dat de stichting de bij de omgevingsvergunning betrokken belangen behartigt.
Het indienen van een inspraakreactie over de Huisvestingsverordening Amsterdam 2021 is onvoldoende om van feitelijke werkzaamheden in de zin van art. 1:2, lid 3 Awb te spreken. In de inspraakreactie wordt weliswaar een aantal keer het splitsen van een woning genoemd, maar daarbij gaat het niet om het bouwkundig splitsen van een woning, zoals in deze procedure aan de orde is.
Het gaat in de inspraakreactie om splitsing in de zin van onttrekking van een woning aan de woningvoorraad. De rechtbank heeft de stichting dan ook ten onrechte als belanghebbende aangemerkt en ten onrechte ontvankelijk geoordeeld in haar beroep.