Rechtbank Overijssel 30 maart 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:1652. Eiser heeft aangevoerd dat het college in het bestreden besluit geen juiste of volledige belangenafweging heeft gemaakt. Daarbij heeft hij erkend dat er vanwege het limitatief-imperatieve toetsingskader voor de verlening van de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit en de (technische) bouwactiviteit geen ruimte bestaat voor een belangenafweging.

Bij de verlening van de vergunning voor de rijksmonumentenactiviteit moet echter wel een belangenafweging worden gemaakt. Eiser is van mening dat het college bij die afweging de historische waarde v.d. omgeving en de monumentale waarden v.d. omliggende panden onvoldoende heeft meegewogen. De vergunde opbouw zorgt namelijk voor een grote mate van ontsiering en tast het historisch aangezicht van de achtergevel van de woning alsook die van de woningen naast de woning ernstig aan. Daarbij heeft eiser gewezen op art. 8.80, lid 2, onder a Bkl.
De rb. overweegt dat art. 8.80 Bkl bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit alleen wordt verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg en dat bij de beslissing daarover rekening wordt gehouden met de beginselen die in het tweede lid van dat artikel staan. Zoals eiser heeft erkend, betekent dit dat de belangenafweging die op basis van een vergunningaanvraag voor een rijksmonumentenactiviteit moet worden gemaakt is gericht op het voorkomen van nadelige gevolgen voor het monument en de monumentale waarden.
Het college heeft de beslissing om de vergunning voor de rijksmonumentenactiviteit te verlenen gebaseerd op de adviezen van Het Oversticht en het team Monumentenzorg. Het Oversticht heeft geconcludeerd dat het vergunde bouwplan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de monumentale waarden en niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Het team Monumentenzorg heeft geconcludeerd dat er door het bouwplan geen belangrijke cultuurhistorische waarden verdwijnen.
Uit jurisprudentie volgt dat het college zich mag baseren op een advies van een monumentencommissie, tenzij dit niet zorgvuldig tot stand is gekomen of zodanige gebreken vertoont dat het college daarop niet had mogen afgaan. Het college mag op het advies afgaan, nadat het is nagegaan of dat op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in art. 3:9 Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit art. 3:2 Awb voor andere adviseurs. Het overnemen van een monumentenadvies behoeft, net als het overnemen van een welstandsadvies, in beginsel geen nadere toelichting.
Deze 2-daagse cursus Erfgoed en Monumenten: wetgeving en beleid biedt inzicht in het nieuwe instrumentarium voor de omgang met cultureel erfgoed en monumenten, zowel beleidsmatig als juridisch als omgevingsplan, evenals de gevolgen voor ambtenaar, initiatiefnemers en adviseurs.