Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Uitspraak handhaving algemene zorgplichten omgevingswet!: bevoegd gezag heeft dit onvoldoende onderzocht

De rechtbank Den Haag heeft op 10 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7185, een erg interessante uitspraak gedaan over de handhaafbaarheid van de algemene zorgplichten uit de Omgevingswet (de artikelen 1.6, 1.7 en 1.8 Ow). Uit artikel 1.8, eerste lid, van de Omgevingswet volgt dat indien voor een activiteit wel specifieke regels zijn gesteld en deze worden nageleefd, daarmee eveneens wordt voldaan aan de zorgplichten uit artikel 1.6 en artikel 1.7 van de Omgevingswet. De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat er specifieke regels zijn vastgesteld ter voorkoming van vochtschade bij derden als gevolg van de positionering van de schuur. Dat betekent dat de situatie waarop artikel 1.8, eerste lid, van de Omgevingswet betrekking heeft, zich hier niet voordoet.

10 April 2026

Samenvattingen

Het college heeft ter zitting erkend dat het niet heeft onderzocht of wordt voldaan aan de algemene zorgplichten uit de Omgevingswet, omdat het deze zorgplichten te algemeen acht als grondslag voor handhavend optreden. De rechtbank deelt dit standpunt van het college niet. Zoals hiervoor is overwogen kan bij het ontbreken van een meer specifieke regel en als sprake is van onmiskenbare strijd met een algemene zorgplicht, op grondslag van die algemene zorgplicht handhavend worden opgetreden. Nu het college niet heeft onderzocht of die situatie zich in dit geval voordoet, is het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust dit niet op een draagkrachtige motivering. Hiervoor is overwogen dat het vangnetkarakter van een algemene zorgplicht met zich meebrengt dat handhaving hiervan alleen aan de orde is bij handelen dat onmiskenbaar in strijd met de zorgplicht is. Naar het oordeel van de rechtbank is van een dergelijke onmiskenbare strijd in dit geval niet gebleken. De enkele omstandigheid dat uit het door eiser overgelegde bouwkundig rapport volgt dat de beperkte afstand tussen de schuur en de gevel van de woning van eiser leidt tot onvoldoende natuurlijke ventilatie en dat hierdoor onder meer een verhoogd risico op vochtbelasting ontstaat, is hiervoor onvoldoende. Of de aanwezigheid van de schuur daadwerkelijk tot schade aan de woning van eiser heeft geleid of zal leiden, vergt nader onderzoek. Reeds daarom is van een onmiskenbare strijd met de algemene zorgplichten uit de Omgevingswet geen sprake.

UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN

Op grond van artikel 1.6 van de Omgevingswet draagt een ieder voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving. Artikel 1.7 van de Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht voor iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat een activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Zoals volgt uit artikel 1.8 van de Omgevingswet en de geschiedenis van de totstandkoming van die wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 67 en 70), hebben de zorgplichten uit artikel 1.6 en artikel 1.7 van de Omgevingswet een vangnetfunctie en zijn deze met name van belang bij activiteiten die niet nader zijn gereguleerd. Uit artikel 1.8, eerste lid, van de Omgevingswet volgt dat indien voor een activiteit wel specifieke regels zijn gesteld en deze worden nageleefd, daarmee eveneens wordt voldaan aan de zorgplichten uit artikel 1.6 en artikel 1.7 van de Omgevingswet.

De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat er specifieke regels zijn vastgesteld ter voorkoming van vochtschade bij derden als gevolg van de positionering van de schuur. Dat betekent dat de situatie waarop artikel 1.8, eerste lid, van de Omgevingswet betrekking heeft, zich hier niet voordoet.

Uit de Memorie van Toelichting bij de Omgevingswet blijkt dat de algemene zorgplichten in de Omgevingswet voortbouwen op algemene zorgplichten die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet in diverse wetten waren opgenomen (Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr. 3, blz. 67). Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat handhavend optreden op grond van dergelijke zorgplichten in beginsel slechts aan de orde kwam bij onmiskenbare strijd met de zorgplicht (ABRvS 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5756). De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat deze rechtspraak niet zou gelden ten aanzien van de algemene zorgplichten die zijn opgenomen in artikel 1.6 en artikel 1.7 van de Omgevingswet.

Het college heeft ter zitting erkend dat het niet heeft onderzocht of wordt voldaan aan de algemene zorgplichten uit de Omgevingswet, omdat het deze zorgplichten te algemeen acht als grondslag voor handhavend optreden. De rechtbank deelt dit standpunt van het college niet. Zoals hiervoor is overwogen kan bij het ontbreken van een meer specifieke regel en als sprake is van onmiskenbare strijd met een algemene zorgplicht, op grondslag van die algemene zorgplicht handhavend worden opgetreden. Nu het college niet heeft onderzocht of die situatie zich in dit geval voordoet, is het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust dit niet op een draagkrachtige motivering. Het hiertegen gerichte betoog van eiser slaagt. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet evenwel aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Hiervoor is overwogen dat het vangnetkarakter van een algemene zorgplicht met zich meebrengt dat handhaving hiervan alleen aan de orde is bij handelen dat onmiskenbaar in strijd met de zorgplicht is. Naar het oordeel van de rechtbank is van een dergelijke onmiskenbare strijd in dit geval niet gebleken. De enkele omstandigheid dat uit het door eiser overgelegde bouwkundig rapport volgt dat de beperkte afstand tussen de schuur en de gevel van de woning van eiser leidt tot onvoldoende natuurlijke ventilatie en dat hierdoor onder meer een verhoogd risico op vochtbelasting ontstaat, is hiervoor onvoldoende. Of de aanwezigheid van de schuur daadwerkelijk tot schade aan de woning van eiser heeft geleid of zal leiden, vergt nader onderzoek. Reeds daarom is van een onmiskenbare strijd met de algemene zorgplichten uit de Omgevingswet geen sprake.

De conclusie van het voorgaande is dat de aanwezigheid van de schuur geen overtreding oplevert waartegen het college handhavend kon optreden. Voor zover eiser meent dat de aanwezigheid van de schuur strijd oplevert met het burenrecht omdat hij hierdoor schade lijdt, hij hierdoor wordt gehinderd in de mogelijkheden om zijn gevel te onderhouden en hij door het gebruik dat van de schuur wordt gemaakt onrechtmatige geluidshinder ondervindt, kan hij zich tot de civiele rechter wenden.

Artikel delen