Rechtbank Limburg 16 april 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:3367. In artikel 5.40, tweede lid, onder b, van de Ow is bepaald dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan intrekken als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.

De rechtbank stelt vast dat ten tijde van het nemen van het primaire besluit de periode van een jaar was verstreken en dat op dat moment geen activiteiten waren verricht met gebruikmaking van de vergunning. Eiser is van mening dat er wel degelijk een aanvang is gemaakt met de bouwwerkzaamheden, omdat hij was begonnen met het bouwen van de garage en deze garage niet had kunnen bouwen zonder de omgevingsvergunning voor de woning. Eiser heeft hiertoe een startmelding gedaan. De rechtbank is van oordeel dat hieruit niet blijkt dat eiser een aanvang heeft gemaakt met de bouwwerkzaamheden, omdat het bouwen van de garage geen deel uitmaakt van de vergunde activiteiten. Daargelaten of het klopt dat bij de woning vergunningvrij een garage mag worden gebouwd, zoals partijen stellen, overweegt de rechtbank dat de vergunning niet op de bouw van die garage ziet.
Verweerder was dus op grond van artikel 5.40, tweede lid, onder b, van de Ow bevoegd om de omgevingsvergunning in te trekken.
In de uitspraak wordt ook nog getoetst of er wordt voldaan aan het beleid van de gemeente omtrent intrekkingen.