Rechtbank Oost-Brabant 1 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:1852. Normaal gesproken gaan uitspraken over de Landelijke handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) over de fase van het opleggen van het handhavingsbesluit. In deze uitspraak doet eiseres een beroep op vermeende strijdigheid met de LHSO bij het invorderingsbesluit.

[eiseres] voert aan dat het college geen rekening heeft gehouden met de LHSO en met de Leidraad handhavingsacties en begunstigingstermijnen 2023 (de Leidraad). Daarin is opgenomen dat bij handhavingstrajecten evenredig dient te worden gehandeld en onder omstandigheden van (gedeeltelijke) invordering kan worden afgezien. Volgens deze beleidsregels moet de gekozen interventie in verhouding staan tot de aard, zwaarte, oorzaken en gevolgen van de overtreding en het beoogde effect van de interventie. Het toepassen van maatwerk wordt in de beleidsregels als uitgangspunt genomen. Het college kiest echter voor een te rigide aanpak, waardoor [eiseres] onnodig en onterecht wordt benadeeld.
Volgens het college wordt de LHSO met name betrokken bij het opleggen van een last onder dwangsom, terwijl in de onderhavige procedure enkel nog de invordering ter discussie staat. De last staat niet meer ter discussie, nu deze met de uitspraak van de Afdeling in stand is gebleven, waardoor de formele rechtskracht hiervan vaststaat.
De LHSO en de hierbij behorende handhavingsmatrix bieden handvaten voor passende handhavingsmaatregelen. Onder omstandigheden kan - ook binnen de kaders van de hiervoor geldende jurisprudentie - van invordering worden afgezien. Binnen de LHSO schaalt het college de overtreding (in samenhang met het naleefgedrag van [eiseres]) hoog in, gelet op de eerdere branden. Ook aan de invordering wordt daarmee een groot belang toegekend, nu hiervan een prikkel moet uitgaan tot verdere naleving van de last. Van de beginselplicht tot invordering kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden worden afgeweken. In de beroepsgronden ziet het college die omstandigheden niet. [eiseres] maakt overigens ook niet concreet wat de strijdigheid met de LHSO is.
De rechtbank volgt het college hierin. [eiseres] heeft geen concrete aanknopingspunten geboden voor het oordeel dat sprake is van invordering in strijd met het handhavingsbeleid.
Het college heeft zich dus terecht bevoegd geacht om de verbeurde dwangsom in te vorderen. De rechtbank vindt dat het college ook tot invordering mocht overgaan. De rechtbank merkt daarbij op dat ook indien ten tijde van het nemen van de invorderingsbeschikking concreet zicht is op legalisering van de illegale situatie, dit geen bijzondere omstandigheid oplevert om van invordering af te zien.