De rechtbank Noord-Nederland heeft op 9 maart 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:679 een uitspraak gedaan over of handhavend op zou kunnen worden getreden vanwege gestelde hinder of overlast van een rookgasafvoer met toepassing van de kapstokbepaling/zorgplicht van artikel 22.18 van het omgevingsplan (de bruidsschat). Op grond van dat artikel moet degene die een bouwwerk gebruikt, proberen te voorkomen dat hij overlast of hinder veroorzaakt door het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het handhavingsverzoek van eiser. Eiser is het daar niet mee eens. Eiser stelt dat hij één slaapkamer in zijn huis niet kan gebruiken in het stookseizoen door de rookoverlast. Ook is er sprake van extreme roetafzetting op het schilderwerk aan de noordzijde van zijn huis. De aanslag op zijn huis is pikzwart en niet te vergelijken met de uitslag op andere huizen in de straat.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 22.18, tweede lid, onder a, van het Omgevingsplan. Voor een overtreding van dat artikel moet er sprake zijn van overlast of hinder. Een beroep op dit artikel kan bijvoorbeeld slagen als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen (Stb. 2020 400, p. 832 en 833). Uit het artikel volgt niet wanneer sprake is van ernstige hinder. Daarom moet het college vaststellen of daarvan sprake is. Het college heeft daarbij beoordelingsruimte. Eiser heeft in zijn handhavingsverzoek aangegeven dat hij door de ongezonde lucht van de rookgasafvoer een slaapkamer in zijn huis niet kan gebruiken en dat zijn vrouw zwarte longen heeft. Ook stelt hij in zijn verzoek dat zijn dakgoot en muur pikzwart zijn geworden en dat hij schade heeft geleden. Op de hoorzitting heeft eiser daarnaast aangegeven dat de ramen van zijn woning zwart worden, dat de zwarte aanslag op zijn woning erger is in het stookseizoen en dat hij het gebruik van de pelletkachel kan ruiken. Op de zitting bij de rechtbank heeft eiser toegelicht dat hij op de hoorzitting heeft gezegd dat hij niet altijd hinder en overlast ervaart. Hij ervaart alleen hinder en overlast als de kachel brandt, vooral bij temperatuurverschillen. Eiser heeft ook toegelicht dat hij zich tijdens de hoorzitting wellicht wat zachter heeft uitgedrukt omdat hij zijn buren niet wil opleggen dat zij de kachel niet meer gebruiken en omdat hij geen ruzie met hen wil.
Omdat eiser zowel in zijn handhavingsverzoek als tijdens de hoorzitting heeft aangegeven dat hij last heeft van het gebruik van de pelletkachel heeft het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen overlast of hinder ervaart. Uit het bestreden besluit blijkt verder niet dat het college op enige manier zelf heeft beoordeeld of er sprake is van een overtreding van artikel 22.18, tweede lid, onder a, van het omgevingsplan. Het college had daarbij bijvoorbeeld de rapportages van de toezichthouder kunnen betrekken. Dat betekent dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 22.18, tweede lid, onder a, van het Omgevingsplan. Het college heeft dus niet goed gemotiveerd waarom het het handhavingsverzoek van eiser heeft afgewezen.
UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het handhavingsverzoek van eiser. Eiser is het daar niet mee eens.
Op 14 oktober 2024 heeft eiser een handhavingsverzoek ingediend bij het college. Hij verzocht het college om handhavend op te treden tegen de rookgasafvoer van zijn buren aan de [adres] in [plaats] .
Een toezichthouder van de gemeente heeft de woning van eiser bezocht en een gesprek gevoerd met eiser. Dezelfde toezichthouder heeft de woning aan de [adres] bezocht en een gesprek gevoerd met de eigenaar van die woning. Hiervan is verslag uitgebracht in een ‘rapport van bevindingen’.
Op 25 november 2024 heeft het college het verzoek om handhaving afgewezen. Volgens het college is de rookgasafvoer niet in strijd met de geldende regelgeving voor bestaande bouw in artikel 3.77 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Er heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de Adviescommissie bezwaarschriften (de adviescommissie).
De adviescommissie heeft het college geadviseerd om het besluit van 25 november 2024 in stand te laten, de grondslag van dat besluit te wijzigen en het motiveringsgebrek te herstellen in het besluit op bezwaar. De adviescommissie adviseert het college om de afwijzing van het handhavingsverzoek te baseren op artikel 22.18, eerste lid, onder a, van het Omgevingsplan gemeente Oldambt (het omgevingsplan).
Op 3 juni 2025 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het college heeft het eerdere besluit in stand gelaten en een motivering toegevoegd aan het afwijzen van het handhavingsverzoek. Het college wijst het verzoek nu af omdat eiser nagenoeg geen hinder of overlast ervaart van de rookgasafvoer, waardoor artikel 22.18, tweede lid, onder a, van het omgevingsplan geen aanleiding geeft om over te gaan tot handhaving.
Kon het college zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat er geen sprake is van een overtreding, waardoor het niet handhavend kon optreden?
Eiser stelt dat uit de Staatscourant volgt dat sinds 2012 de verbrandingsgas uitstroom van hout en pelletkachels boven de dakrand uit moet komen, om het risico op overlast en gezondheidsrisico te vermijden (eiser verwijst naar de Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 december 2020 (Stcrt. 2020, 66974).Volgens eiser voldoet de rookgasafvoer van zijn buren niet aan deze eis, waardoor sprake is van een overtreding. Hierdoor leidt hij schade. Hij kan namelijk één slaapkamer in zijn huis niet gebruiken in het stookseizoen door de rookoverlast. Ook is er sprake van extreme roetafzetting op het schilderwerk aan de noordzijde van zijn huis. De aanslag op zijn huis is pikzwart en niet te vergelijken met de uitslag op andere huizen in de straat. Daarnaast blijkt uit medisch onderzoek dat de vrouw van eiser zwarte longen heeft. Hij denkt dat dit komt door de rookgasafvoer. Daarom wil hij dat het college handhavend optreedt tegen de overtreding.
Het college stelt zich op het standpunt dat het handhavingsverzoek terecht is afgewezen. Het college heeft daarvoor drie redenen.
Het college stelt als eerst dat de norm waar eiser naar verwijst niet van toepassing is op de rookgasafvoer, waardoor het niet op grond van die bepaling handhavend kon optreden. De Staatscourant waar eiser naar verwijst bevat namelijk een wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving (het Bbl), als gevolg van een aangescherpte NEN-norm. Deze NEN-norm is opgenomen in hoofdstuk 4 van het Bbl. Dat hoofdstuk geldt alleen voor nieuwbouw. Omdat de rookgasafvoer zo’n tien jaar geleden is geplaatst is er geen sprake van nieuwbouw. Daarom is de door eiser genoemde NEN-norm volgens het college niet van toepassing.
Ten tweede stelt het college dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 22.18, tweede lid, onder a, van het omgevingsplan, waardoor het niet op grond van die bepaling handhavend kon optreden. Op grond van dat artikel moet degene die een bouwwerk gebruikt, proberen te voorkomen dat hij overlast of hinder veroorzaakt door het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal. Omdat eiser op de hoorzitting van de bezwarencommissie heeft verklaard dat hij nagenoeg geen hinder of overlast ervaart, is er volgens het college geen sprake van overtreding van dat artikel.
Ten derde stelt het college dat de uitslag op de woning van eiser niet is veroorzaakt door roet van de rookgasafvoer. Uit het meest recente rapport van bevindingen van de toezichthouder Bouw volgt namelijk dat deze grijsgroene uitslag zich op vrijwel alle panden aan de [straat] aan de schaduwkant van de woning bevindt. Dit is ook het geval bij woningen waar geen rookgasafvoeren zitten. Deze uitslag wordt volgens de toezichthouder veroorzaakt door natuurlijke factoren en het verkeer en niet door rook van een pelletkachel.
Overtreding van het Bbl?
De rechtbank overweegt dat eiser in zijn handhavingsverzoek verwijst naar de Staatscourant. In deze Staatscourant is een wijziging van de Regeling Bouwbesluit 2012 (het Bouwbesluit) opgenomen. Het Bouwbesluit wordt onder andere gewijzigd naar aanleiding van veranderde NEN-normen. Eén daarvan is NEN-2757. De nieuwe versie van deze norm sluit aan bij artikel 4.138, vierde lid, van het Bbl. Daarin is bepaald dat een geveldoorvoer niet is toegestaan bij de rookgasafvoer van een pelletkachel, om overlast en gezondheidsrisico’s te vorkomen. Omdat het handhavingsverzoek ná de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend, is het Bouwbesluit niet van toepassing. Het Bbl is wél van toepassing. Daarom vat de rechtbank het verzoek van eiser op als een verzoek om handhavend op te treden tegen een overtreding van artikel 4.138, vierde lid, van het Bbl.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 4.138, vierde lid, van het Bbl. Dat komt omdat dat artikel in hoofdstuk 4 van het Bbl staat. Dat hoofdstuk is alleen van toepassing op nieuwbouw (dat volgt uit artikel 4.1, eerste lid, van het Bbl). De rookgasafvoer waarvoor eiser om handhaving verzoekt is al jaren aanwezig. Daarom is er geen sprake van nieuwbouw. Dat betekent dat artikel 4.138, vierde lid, van het Bbl niet geldt voor de betreffende rookgasafvoer.
Overtreding van het omgevingsplan?
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 22.18, tweede lid, onder a, van het Omgevingsplan. Voor een overtreding van dat artikel moet er sprake zijn van overlast of hinder. In de toelichting op dat artikel staat dat het artikel is bedoeld als een kapstokartikel, waarin onderdelen van artikel 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit zijn opgenomen. Een beroep op dit artikel kan bijvoorbeeld slagen als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen (Stb. 2020 400, p. 832 en 833). Uit het artikel volgt niet wanneer sprake is van ernstige hinder. Daarom moet het college vaststellen of daarvan sprake is. Het college heeft daarbij beoordelingsruimte (ABRvS 26 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2012, r.o. 2.4).
In dit geval komt het college tot het oordeel dat eiser nagenoeg geen hinder of overlast van de rookgasafvoer ondervindt, omdat hij dit op de hoorzitting heeft verklaard. De rechtbank kan dit standpunt van het college niet volgen. Eiser heeft in zijn handhavingsverzoek aangegeven dat hij door de ongezonde lucht van de rookgasafvoer een slaapkamer in zijn huis niet kan gebruiken en dat zijn vrouw zwarte longen heeft. Ook stelt hij in zijn verzoek dat zijn dakgoot en muur pikzwart zijn geworden en dat hij schade heeft geleden. Op de hoorzitting heeft eiser daarnaast aangegeven dat de ramen van zijn woning zwart worden, dat de zwarte aanslag op zijn woning erger is in het stookseizoen en dat hij het gebruik van de pelletkachel kan ruiken. Op de zitting bij de rechtbank heeft eiser toegelicht dat hij op de hoorzitting heeft gezegd dat hij niet altijd hinder en overlast ervaart. Hij ervaart alleen hinder en overlast als de kachel brandt, vooral bij temperatuurverschillen. Eiser heeft ook toegelicht dat hij zich tijdens de hoorzitting wellicht wat zachter heeft uitgedrukt omdat hij zijn buren niet wil opleggen dat zij de kachel niet meer gebruiken en omdat hij geen ruzie met hen wil.
Omdat eiser zowel in zijn handhavingsverzoek als tijdens de hoorzitting heeft aangegeven dat hij last heeft van het gebruik van de pelletkachel heeft het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen overlast of hinder ervaart. Uit het bestreden besluit blijkt verder niet dat het college op enige manier zelf heeft beoordeeld of er sprake is van een overtreding van artikel 22.18, tweede lid, onder a, van het omgevingsplan. Het college had daarbij bijvoorbeeld de rapportages van de toezichthouder kunnen betrekken. Dat betekent dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 22.18, tweede lid, onder a, van het Omgevingsplan. Het college heeft dus niet goed gemotiveerd waarom het het handhavingsverzoek van eiser heeft afgewezen. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. Dit betekent dat het college niet goed heeft gemotiveerd waarom het het handhavingsverzoek van eiser afwijst. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om het college op te dragen om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Een bestuurlijke lus kan namelijk niet worden toegepast als belanghebbenden die niet als partij aan het geding deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld. Een bestuurlijke lus zou de bewoners van de [adres] , die niet als partij deelnemen aan dit geding, kunnen benadelen, omdat het college opnieuw moet onderzoeken of er sprake is van een overtreding waartegen handhavend kan worden opgetreden
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.