Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Uitspraak niet intrekken omgevingsvergunning onder omgevingswet: vergunninghouder heeft gezien bibob-onderzoek nog geen activiteiten verricht

Rechtbank Amsterdam 10 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:114. Op grond van art. 5.40, lid 2 Omgevingswet, voor zover van belang, kan het bevoegd gezag in andere gevallen dan bedoeld in artikel 18.10 een omgevingsvergunning intrekken:

14 March 2026

b. als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning,

d. voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.31, eerste lid: in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, waarbij artikel 5.31, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing is.

Volgens vaste jurisprudentie is de intrekking van een omgevingsvergunning geen verplichting, maar een bevoegdheid. Bij de toepassing van die bevoegdheid komt het college beleidsruimte toe. De rechter toetst of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Bij toepassing van deze bevoegdheid moeten alle relevante belangen worden geïnventariseerd en afgewogen. Daartoe behoren ook de (financiële) belangen van de vergunninghouder. Daarbij mag in aanmerking worden genomen of het niet tijdig gebruik maken van de vergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen. De enkele omstandigheid dat de houder van een omgevingsvergunning niet aannemelijk weet te maken dat hij deze alsnog binnen korte termijn zal benutten, is voldoende om de intrekking van een ongebruikte omgevingsvergunning te rechtvaardigen.

Eiseres voert aan dat de vergunninghouder heeft nagelaten aannemelijk te maken dat hij de omgevingsvergunning alsnog binnen korte tijd zal benutten.

Het college heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat het niet onbegrijpelijk is dat de vergunninghouder in de periode van 2021 tot 2024 geen gebruik heeft gemaakt van de omgevingsvergunning, omdat in die periode het Bibob onderzoek plaatsvond. Daardoor was het niet zeker of de omgevingsvergunning in stand zou blijven. Daarnaast heeft de vergunninghouder tijdens de hoorzitting aangegeven dat hij nog steeds gebruik wil maken van de omgevingsvergunning.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vergunninghouder voldoende aannemelijk gemaakt dat de vergunning uitgevoerd gaat worden en is het de vergunninghouder niet aan te rekenen dat hij dat niet gedaan heeft hangende de Bibob procedure. De rechtbank vindt de belangenafweging van het college dan ook niet onredelijk.

Artikel delen