Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het slopen van een woning aan het adres. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Ter plaatse van het betrokken perceel geldt, voor zover relevant, het bestemmingsplan “Cultuurhistorie”.

Op het perceel is de bestemming “Waarde – Cultuurhistorie – Ensembles” van kracht. In artikel 4.5.1, onder a, van de planregels is bepaald dat het verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de cultuurhistorische waardevolle bouwwerken, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart, geheel of gedeeltelijk te slopen.
Verzoeker voert aan dat het op de weg van het college had gelegen om toepassing te geven aan artikel 16.79, tweede lid, van de Omgevingswet, nu deze bepaling juist is bedoeld voor situaties als deze, waarbij er regels gelden ter bescherming en behoud van het te slopen object.
Op grond van artikel 16.79, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet treedt een omgevingsvergunning in werking met ingang van de dag na de dag waarop het besluit is bekendgemaakt.
In het tweede lid, aanhef en onder a, van dat artikel is bepaald dat in afwijking van het eerste lid het bevoegd gezag in de omgevingsvergunning bepaalt dat die in werking treedt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag van bekendmaking of terinzagelegging als naar zijn oordeel het verrichten van de activiteit die de omgevingsvergunning mogelijk maakt binnen die vier weken kan leiden tot een wijziging van een bestaande toestand die niet kan worden hersteld.
Aangezien het slopen van een woning leidt tot een toestand die niet kan worden hersteld, had het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het bestreden besluit toepassing moeten geven aan artikel 16.79, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. Het college heeft dat in het verweerschrift ook erkend. Het college dient in de beslissing op het bezwaar van verzoeker ook dit gebrek te herstellen.
Zie voor meer voorbeelden van uitspraken over wanneer de 4-weken-regeling moest worden toegepast deze eerdere posts:
https://omgevingsweb.nl/samenvatting/ten-onrechte-geen-uitgestelde-inwerkingtreding-na-4-weken-opgenomen-in-de-omgevingsvergunning-art-16-79-lid-2-omgevingswet/