Onder de Omgevingswet is er in artikel 16.79 een nieuwe systematiek voor de inwerkingtreding van omgevingsvergunningen. In artikel 16.79, lid 1, onder a Omgevingswet is bepaald dat een omgevingsvergunning in werking treedt met ingang van de dag na de dag waarop het besluit is bekendgemaakt.

In artikel 16.79, lid 2, onder a en b Ow is bepaald dat in afwijking van het eerste lid, het bevoegd gezag in de omgevingsvergunning bepaalt dat deze in werking treedt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag van bekendmaking of terinzagelegging als naar zijn oordeel het verrichten van de activiteit die de omgevingsvergunning mogelijk maakt binnen die vier weken kan leiden tot een wijziging van een bestaande toestand die niet kan worden hersteld en de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning ertoe strekken die bestaande toestand te beschermen. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 januari 2026, ECLI:NL:RBROT:2025:15306 is een voorbeeld van een geval waar deze regeling van uitgestelde inwerkingtreding had moeten worden toegepast.
Er is een omgevingsvergunning verleend voor de omgevingsplanactiviteit slopen in beschermd stadsgezicht. Het standpunt van het college is dat de uitgestelde inwerkingtreding van artikel 16.79, tweede lid, van de Ow niet van toepassing is bij deze omgevingsvergunning, omdat het te slopen gebouw als zodanig geen bijzondere cultuurhistorische waarde heeft en de sloop geen gevolgen heeft voor het beschermd stadsgezicht. Het is in eerste instantie aan het college om te bepalen of de uitgestelde inwerkingtreding van toepassing is. Volgens de tekst van de wet heeft het college daarbij beoordelingsruimte.
Niet in geschil is dat de sloop van het gebouw zal leiden tot een wijziging van de bestaande toestand die niet kan worden hersteld. Een inhoudelijk oordeel over de vraag of een omgevingsvergunning in het licht van het in het omgevingsplan opgenomen beschermingsregime al dan niet kan worden verleend, kan niet worden gekoppeld aan de vraag of de uitgestelde inwerkingtreding van toepassing is. Voor beantwoording van die laatste vraag is slechts van belang of de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning ertoe strekken die bestaande toestand te beschermen. De voorzieningenrechter vindt dan ook dat het college, ondanks de hem toekomende beoordelingsruimte, in dit geval had behoren te bepalen dat de inwerkingtreding van de verleende omgevingsvergunning met vier weken is uitgesteld.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit vanwege het slopen in beschermd stadsgezicht van het Grafisch Lyceum Rotterdam op de locatie [adres].
Op 1 december 2025 is vergunninghoudster begonnen met de (inpandige) sloop. Op 2 december 2025 heeft het college telefonisch meegedeeld dat volgens hem de uitgestelde inwerkingtreding van artikel 16.79, tweede lid, van de Omgevingswet (Ow) toch niet van toepassing is op de verleende omgevingsvergunning.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het perceel geldt het Omgevingsplan gemeente Rotterdam (omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel was voor zover relevant vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Grafisch Lyceum Rotterdam” van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Het perceel heeft op grond van het bestemmingsplan “Grafisch Lyceum Rotterdam” de bestemmingen “Maatschappelijk – 1”, “Waarde – Cultuurhistorie” en “Waarde – Archeologie – 1”.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (de Ow) is het verboden zonder een omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Op grond van artikel 5.1 van de planregels zijn de voor ‘Waarde – Cultuurhistorie’ aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor bescherming van het beschermd stadsgezicht ‘Blijdorp – Bergpolder’.
Op grond van artikel 5.3.1 van de planregels is het voor de “Waarde – Cultuurhistorie” bestemde gronden verboden om zonder vergunning van burgemeester en wethouders bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen.
Op grond van artikel 5.3.3 van de planregels wordt een vergunning verleend indien door het slopen het aanzien en/of de karakteristiek van het beschermd stadsgezicht niet of niet in betekende mate wordt geschaad.
Op grond van artikel 5.3.4 van de planregels winnen burgemeester en wethouders advies in van de commissie voor Welstand en Monumenten alvorens er wordt beslist op de aanvraag.
De hoofdregel uit artikel 16.79, eerste lid, van de Ow is dat een omgevingsvergunning in werking treedt de dag na bekendmaking (bij de reguliere procedure) en de dag na terinzagelegging (bij de toepassing van afdeling 3.4 van de Awb).
In het tweede lid van artikel 16.79 is een specifieke regeling opgenomen voor onomkeerbare situaties. In dit artikellid wordt bepaald dat in die gevallen het bevoegd gezag moet bepalen dat de omgevingsvergunning in werking treeft met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag van bekendmaking of terinzagelegging, als naar het oordeel van het bevoegd gezag: -het verrichten van de activiteit die de omgevingsvergunning mogelijk maakt binnen die vier weken kan leiden tot een wijziging van een bestaande toestand die niet kan worden hersteld, en de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning ertoe strekken die bestaande toestand te beschermen.
In de omgevingsvergunning staat dat de vergunning in werking treedt met ingang van de dag na bekendmaking.
In de e-mail van 26 november 2025 heeft het college toegelicht dat in tegenstelling tot wat in de omgevingsvergunning is opgenomen, de vergunning pas in werking treedt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag van bekendmaking of terinzagelegging, zoals bepaald in artikel 16.79, tweede lid, van de Ow. Volgens het college is vergunninghoudster verplicht te wachten, met de uitvoering van de omgevingsvergunning op grond van artikel 16.79, vierde lid, van de Ow omdat er een voorlopige voorziening is gevraagd.
Op 2 december 2025 heeft het college telefonisch meegedeeld dat vergunninghoudster op 1 december 2025 is begonnen met de sloop van het schoolgebouw. Het college stelt zich op het standpunt stelt dat de uitgestelde inwerkingtreding van artikel 16.79, tweede lid, van de Ow toch niet van toepassing is. Volgens het college is er geen sprake van een onomkeerbare activiteit in de zin van die bepaling. De artikelen 5.3.1 en 5.3.3 van de planregels beschermen het aanzien van het beschermd stadsgezicht en de panden die beeldbepalend/monument zijn of die behoren tot de uitstraling van het monumentale stedenbouwkundig plan van het beschermd stadsgezicht. Het college heeft toegelicht dat het gebouw van het Grafisch Lyceum Rotterdam gebouwd is in 1989. Het ligt weliswaar binnen het beschermd stadsgezicht maar het is geen onderdeel van de monumentale uitstraling van het stedenbouwkundig plan en het betreft daarom ook geen beeldbepalend pand of monument.
Het uiteindelijke standpunt van het college is dus dat de uitgestelde inwerkingtreding van artikel 16.79, tweede lid, van de Ow niet van toepassing is bij deze omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Het is in eerste instantie aan het college om te bepalen of de uitgestelde inwerkingtreding uit artikel 16.79, tweede lid, van de Ow van toepassing is zodat het hiervan melding kan maken in de verleende vergunning. Volgens de tekst van de wet heeft het college daarbij beoordelingsruimte. Tussen partijen is niet in geschil dat de sloop van het gebouw zal leiden tot een wijziging van de bestaande toestand die niet kan worden hersteld. Aan dat criterium is dus voldaan. De omgevingsvergunning voor de sloop is verleend op grond van de regels uit het omgevingsplan die ertoe strekken om de bestaande toestand van het beschermde stadsgezicht te beschermen. Voor zo’n situatie is de uitgestelde inwerkingtreding van artikel 16.79, tweede (en vierde lid), van de Ow juist bedoeld. Dit voorkomt immers dat rechtsbescherming tegen een omgevingsvergunning illusoir is omdat de bestaande toestand al is gesloopt voordat de voorzieningenrechter zich kan uitlaten over de vraag of het college de omgevingsvergunning voor het slopen in beschermd stadsgezicht mocht verlenen.
De redenering van het college om te komen tot de conclusie dat de verleende omgevingsvergunning onmiddellijk inwerking treedt, is dat het te slopen gebouw als zodanig geen bijzondere cultuurhistorische waarde heeft en de sloop geen gevolgen heeft voor het beschermd stadsgezicht. Zo werkt het niet. Een inhoudelijk oordeel over de vraag of een omgevingsvergunning in het licht van het in het omgevingsplan opgenomen beschermingsregime al dan niet kan worden verleend, kan niet worden gekoppeld aan de vraag of de uitgestelde inwerkingtreding van toepassing is. Voor beantwoording van die laatste vraag is slechts van belang of de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning ertoe strekken die bestaande toestand te beschermen. Dat is in de planregeling voor de bescherming van de waarde van het aangewezen beschermd stadsgezicht, zoals neergelegd in onder meer de artikelen 5.3.1 en 5.3.3 van de planregels, het geval.
De voorzieningenrechter vindt dan ook dat het college, ondanks de hem toekomende beoordelingsruimte, in dit geval had behoren te bepalen dat de inwerkingtreding van de verleende omgevingsvergunning met vier weken is uitgesteld.