De rechtbank Overijssel heeft op 14 april 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2008 een voor de rechtspraktijk interessante uitspraak gedaan over de onderbouwing van het ETFAL-criterium voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (OPA). Vanwege artikel 22.281 bruidsschat geldt in de transitiefase toch een ETFAL-toets, ook al is art. 8.0a, lid 1 Bkl geformuleerd als een limitatief-imperatief toetsingskader.

Deze uitspraak gaat over de aan [derde belanghebbende] verleende omgevingsvergunning voor het verhogen van een erfafscheiding/schutting tot 2 meter op zijn perceel aan [adres 1].
In artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet staat dat het verboden is om een omgevingsplanactiviteit te verrichten zonder omgevingsvergunning. In artikel 8.0a, eerste lid van het besluit kwaliteit leefomgeving staat dat, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Uit artikel 22.281 van het omgevingsplan vloeit voort dat het college in dit geval niet alleen moet beoordelen of de aanvraag voldoet aan de beoordelingsregels in het omgevingsplan, maar ook moet bezien of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij heeft het college beleidsruimte om te beslissen of het gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om tot vergunningverlening over te gaan.
Bij het bepalen van of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en meer specifiek de gevolgen voor de verkeersveiligheid ten gevolge van het plaatsen van de aangevraagde schutting, moet het aangevraagde bouwplan worden afgezet tegen wat op grond van het bestemmingsplan reeds maximaal mogelijk is. Dit betekent in dit geval dat een schutting met een hoogte van 1 meter op de perceelsgrens moet worden vergeleken met een schutting met een hoogte van 2 meter op de perceelsgrens. Wat er ook van zij, de voorzieningenrechter is van oordeel dat een onjuiste vergelijking is gemaakt. Hierdoor kan op basis van deze rapporten niet zonder meer worden geconcludeerd dat sprake is van een ETFAL.
UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN
Deze uitspraak gaat over de aan [derde belanghebbende] verleende omgevingsvergunning voor het verhogen van een erfafscheiding/schutting tot 2 meter op zijn perceel aan [adres 1].
Volgens [eiser] is de vergunde 2 meter hoge schutting verkeersonveilig en daarom niet acceptabel. Het college vond dat eerst ook, zoals blijkt uit het besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom aan [derde belanghebbende] tot gedeeltelijke verlaging van de schutting tot 1 meter. In die last staat dat door de 2 meter hoge schutting een onwenselijke verkeersonveilige situatie ontstaat. Omdat de situatie in 2025/2026 niet anders is dan in 2022 vindt [eiser] het onbegrijpelijk dat het college nu een omgevingsvergunning verleent voor het verhogen van de schutting 2 meter.
Verder zijn de verkeerskundige adviezen die het college aan het bestreden besluit ten grondslag legt, gebaseerd op een onjuiste vraagstelling en voorstelling van zaken. In de adviezen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] wordt, volgens [eiser] ten onrechte, een schutting van 2 meter hoog vergeleken met de situatie van voor de plaatsing van de schutting eind 2021, toen op de perceelsgrens een haag/bosschage stond.
Motivering bestreden besluit
Het college heeft bij de vergunningverlening gebruik gemaakt van zijn in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsbevoegdheid en geconcludeerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij is het bouwplan getoetst op, voor zover van toepassing, de punten sociale veiligheid, duurzaamheid, milieusituatie, gezondheidssituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen, het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid. Voor zover in deze procedure van belang is ten aanzien van het straat- en bebouwingsbeeld aangegeven dat geen sprake is van een wijziging van het beeld indien voldaan wordt aan de voorwaarde dat de schutting wordt voorzien van beplanting.
Ten aanzien van de verkeersveiligheid heeft het college overwogen dat [derde belanghebbende] bij de vergunningaanvraag een door [bedrijf 1] opgesteld verkeersrapport heeft gevoegd en dat het college dat rapport heeft laten toetsen door [bedrijf 2], dat heeft geconcludeerd dat de situatie verkeerskundig niet of nauwelijks verandert en dat het (beperkte) zicht door de plaatsing van de schutting vrijwel gelijk blijft aan de oorspronkelijke situatie. Bij de beslissing op bezwaar heeft het college overwogen dat uit een drietal verkeerskundige adviezen volgt dat het zicht in de betreffende bocht aan [adres 1] al vóór het plaatsen van de erfafscheiding beperkt was door de aanwezige hoge begroeiing en dat de huidige situatie met een erfafscheiding van 2 meter in verkeerskundig opzicht geen wezenlijke verslechtering oplevert ten opzichte van deze eerdere feitelijke situatie. Hoewel de deskundigen opmerken dat een lagere erfafscheiding van 1 meter verkeerskundig gunstiger is, leidt dit niet automatisch tot het oordeel dat een erfafscheiding van 2 meter onaanvaardbaar is.
Juridisch kader
In artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet staat dat het verboden is om een omgevingsplanactiviteit te verrichten zonder omgevingsvergunning. In artikel 8.0a, eerste lid van het besluit kwaliteit leefomgeving staat dat, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
Op het perceel waar de schutting wordt opgericht, geldt het omgevingsplan gemeente Olst-Wijhe. Op grond van het bestemmingsplan ‘Wijhe’ dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan is het deel van de schutting waar het in deze procedure om gaat gelegen binnen de bestemming ‘Tuin’. Ingevolge de planvoorschriften mogen ter plekke uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden opgericht met dien verstande dat voor ‘andere bouwwerken’, in dit geval de schutting, geldt dat de bouwhoogte niet meer dan 1 meter mag bedragen. Uit de planvoorschriften volgt verder dat van deze regel kan worden afgeweken om toe te staan dat een ‘ander bouwwerk’ wordt vergroot tot 10 meter.
Uit artikel 22.281 van het omgevingsplan vloeit voort dat het college in dit geval niet alleen moet beoordelen of de aanvraag voldoet aan de beoordelingsregels in het omgevingsplan, maar ook moet bezien of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij heeft het college beleidsruimte om te beslissen of het gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om tot vergunningverlening over te gaan.
Beoordeling
De voorzieningenrechter stelt vast dat het ambtelijk advies van 3 april 2025 niet ziet op de aangevraagde en vergunde situatie, maar op de situatie dat de schutting een meter uit de erfgrens wordt geplaatst. In het advies wordt overigens aangegeven dat er voldoende zicht is op dit punt van de weg als de schutting een meter vanaf de erfgrens geplaatst wordt; iets waar [eiser] zich in kan vinden. Een schutting op deze plek is evenwel niet aangevraagd en ligt hier niet ter beoordeling voor.
De voorzieningenrechter stelt verder vast dat het bestemmingsplan een ‘ander bouwwerk’ met een hoogte van 1 meter toestaat. Dit betekent dat een dergelijk ‘ander bouwwerk’, en, onder meer, de hiermee gepaard gaande verkeersonveiligheid, in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locatie.
Bij het bepalen van of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en meer specifiek de gevolgen voor de verkeersveiligheid ten gevolge van het plaatsen van de aangevraagde schutting, moet het aangevraagde bouwplan worden afgezet tegen wat op grond van het bestemmingsplan reeds maximaal mogelijk is. Dit betekent in dit geval dat een schutting met een hoogte van 1 meter op de perceelsgrens moet worden vergeleken met een schutting met een hoogte van 2 meter op de perceelsgrens.
Uit de stukken blijkt dat in het rapport van [bedrijf 1] van 23 december 2022 een vergelijking is gemaakt tussen de aangevraagde schutting van 2 meter hoogte en de voor het plaatsen van de schutting feitelijke situatie op het perceel toen op de erfgrens een 3 meter hoge, brede en dichtbegroeide, haag stond.
[eiser] betwist dat in het verleden op de erfgrens een haag/bosschage heeft gestaan die qua dichtheid vergelijkbaar is met een schutting. De voorzieningenrechter laat dat in deze uitspraak in het midden. Wat er ook van zij, met [eiser] is de voorzieningenrechter van oordeel dat in de rapporten van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] een onjuiste vergelijking is gemaakt. Hierdoor kan op basis van deze rapporten niet zonder meer worden geconcludeerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een nadere, toereikende, motivering op dit punt van het college ontbreekt. Ook aan het ambtelijk advies van 3 april 2025 komt geen betekenis toe nu dat niet ziet op de aangevraagde en vergunde erfafscheiding.
Uit het voorgaande volgt dat het college de gevolgen van de verhoging van de schutting van 1 tot 2 meter onvoldoende zorgvuldig heeft beoordeeld en onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en in het bijzonder of die verhoging geen significante nadelige gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid. Het beroep is gegrond.
Het beroep van [eiser] is gegrond vanwege de onzorgvuldige voorbereiding en onjuiste motivering van de vergunde verhoging van de erfafscheiding tot 2 meter.
Het bestreden besluit zal worden vernietigd en het college moet opnieuw op het bezwaar van [eiser] beslissen met inachtneming van deze uitspraak.