Rechtbank Gelderland 12 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:1724. De rechtbank stelt verder vast dat als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 veel wetten en verordeningen die regels stellen die zien op de fysieke leefomgeving zijn vervallen omdat deze regels – zoals verplicht gesteld in artikel 2.1, eerste lid, Omgevingsbesluit - (dat artikel luidt als volgt: onverminderd het tweede lid worden in ieder geval regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen als bedoeld in artikel 1.2, derde lid, onder a, van de wet alleen in het omgevingsplan opgenomen) zijn opgenomen in het omgevingsplan.

Daargelaten het feit dat de aanvraag is ingediend voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en daarom het oude recht geldt, is de APV een gemeentelijke verordening die regels bevat die de fysieke leefomgeving betreffen, maar ook regels die daarop niet (direct) zien. In artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder c, van het Omgevingsbesluit is bepaald dat regels als bedoeld in artikel 174, derde lid, Gemeentewet in ieder geval niet worden opgenomen in het omgevingsplan.
Artikel 174, derde lid, van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester belast is met de uitvoering van verordeningen die betrekking hebben op ‘het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. De regels opgenomen in hoofdstuk 2, afdeling 4 ‘toezicht op openbare inrichtingen’ van de APV zijn op die bevoegdheid gebaseerd.
Van een situatie waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien (opname in het omgevingsplan of een omgevingsvergunning) is hier geen sprake. Daarom vormt de APV hier het toetsingskader en is van strijd met de Omgevingswet geen sprake.