De uitspraak van de rechtbank Limburg d.d. 19 februari 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:1460, is vermeldenswaardig omdat hier wordt getoetst of sprake is van 'achtererfgebied' zoals bedoeld in artikel 22.27 van het omgevingsplan (de bruidsschat). Tussen partijen is allereerst in geschil of het tuinhuis in strijd met het omgevingsplan aanwezig is op het perceel.

De uitspraak van de Rechtbank Limburg d.d. 19 februari 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:1460, is vermeldenswaardig omdat hier wordt getoetst of sprake is van 'achtererfgebied' zoals bedoeld in art. 22.27 v.h. omgevingsplan (de bruidsschat). Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom die aan verzoekers is opgelegd wegens de aanwezigheid van een tuinhuis zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning is verleend.
Ingevolge art. 22.26 omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. In art. 22.27 v.h. omgevingsplan is bepaald dat het verbod, bedoeld in art. 22.26, niet geldt voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:
"a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. op de grond staand, 2. gelegen in achtererfgebied (…)."
De discussie tussen partijen ten aanzien van de overtreding is gelegen in de vraag of het tuinhuis in het achtererfgebied is gelegen en daarmee, gelet op bovengenoemd artikel, vergunningvrij is. In art. 1.1, lid 1 v.h. omgevingsplan is bepaald dat begripsbepalingen die, op de dag v.d. inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in bijlage I bij het Bbl van toepassing zijn op hoofdstuk 22 v.h. omgevingsplan. Uit bijlage I bij het Bbl blijkt dat onder “achtererfgebied” wordt verstaan, voor zover hier van belang: gebouwerf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen.
Gelet op deze verklaring van de gemachtigde van het college en de feiten en omstandigheden zoals haar nu bekend zijn, is de vzr. er niet van overtuigd geraakt dat de weg [adres] omschreven kan worden als openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is. Zij is daarom van oordeel dat het college onvoldoende gemotiveerd heeft dat sprake is van aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zoals bedoeld in bijlage 1 Bbl. Door dit motiveringsgebrek is niet duidelijk geworden waar het achtererfgebied begint en of het tuinhuis daar deels of volledig op gevestigd is. Daarom is niet met zekerheid vast te stellen of het tuinhuis conform de uitzondering in artikel 22.27 van het omgevingsplan vergunningvrij, en daardoor niet in strijd met artikel 22.26 van het omgevingsplan, op het perceel aanwezig is.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een last onder dwangsom die aan verzoekers is opgelegd wegens de aanwezigheid van een tuinhuis zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning is verleend.
Verzoekers zijn eigenaar van het perceel plaatselijk bekend als [adres] in Arcen. Op 22 april 2025 heeft een gemeentelijke toezichthouder geconstateerd dat een bijgebouw (hierna: het tuinhuis) met een oppervlakte van 36 vierkante meter en een hoogte van 2,60 meter op het perceel aanwezig was, zonder dat daarvoor een bouwvergunning was verleend. Het tuinhuis steekt 3,47 meter uit voor de voorgevel van de woning. Eveneens op 22 april 2025 heeft de toezichthouder verzoekers een waarschuwingsbrief gestuurd waarin hen werd aangegeven dat het tuinhuis illegaal gebouwd was en dat het verwijderd of verplaatst moest worden naar het achtererfgebied. Vervolgens heeft het college op 27 oktober 2025 met het bestreden besluit de aangekondigde last onder dwangsom aan verzoekers opgelegd. Volgens het college is het tuinhuis in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet op het perceel aanwezig. Het college heeft verzoekster gelast om uiterlijk 1 januari 2026 de overtreding te beëindigen. Doen verzoekers dit niet, dan verbeuren zij een dwangsom van € 800,- per week, tot een maximum van € 8.000,-.
Tussen partijen is allereerst in geschil of het tuinhuis in strijd met het omgevingsplan ‘gemeente Venlo’ (het omgevingsplan) aanwezig is op het perceel. In artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Ingevolge de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet wordt voor de toepassing van de wet en de daarop berustende bepalingen, tenzij anders bepaald, onder ‘omgevingsplanactiviteit’ verstaan:
“activiteit, inhoudende:
een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,
een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan”.
Ingevolge artikel 22.26 van het omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
In artikel 22.27 van het omgevingsplan is bepaald dat het verbod, bedoeld in artikel 22.26, niet geldt voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op, voor zover relevant, een van de volgende bouwwerken:
a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1. op de grond staand;
2. gelegen in achtererfgebied ;
3. op een afstand van meer dan 1 meter vanaf openbaar toegankelijk gebied;
4. niet hoger dan 5 meter;
5. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte.
De discussie tussen partijen ten aanzien van de overtreding is gelegen in de vraag of het tuinhuis in het achtererfgebied is gelegen en daarmee, gelet op bovengenoemd artikel, vergunningvrij is.
In artikel 1.1, eerste lid, van het omgevingsplan is, voor zover hier van belang, bepaald dat begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving van toepassing zijn op hoofdstuk 22 van het omgevingsplan. Uit bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) blijkt dat onder “achtererfgebied” wordt verstaan, voor zover hier van belang: gebouwerf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen.
Uit dezelfde bijlage bij het Bbl blijkt verder dat onder “openbaar toegankelijk gebied” wordt verstaan: wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, en pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen alleen bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.
Tussen partijen is in geschil of de weg [adres] als openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is moet worden aangemerkt. Volgens verzoekers is dat niet het geval, omdat deze weg niet te betreden is voor eenieder, maar alleen voor bewoners van het Villa Parc Arcen.
Tijdens de zitting heeft de voorzieningenrechter met partijen via Google Streetview en Google Maps het volgende vastgesteld. Het Villa Parc is van twee richtingen te benaderen. Aan de oostkant wordt het Villa Parc via de [adres] bereikt. De [adres] is openbaar toegankelijk en gaat over op de [adres] . De [adres] biedt toegang tot het Villa Parc. Bij de ingang van de [adres] is een toegangshek aanwezig. Voor dit hek staat een bord met de tekst ‘eigen weg’. Volgens verzoekers is het hek altijd dicht en moet er aangebeld worden via een intercom-systeem om toegang tot het Villa Parc te krijgen. Er is naast het toegangshek een fietspad aanwezig dat voor fietsers en voetgangers doorgang biedt. Aan de westkant van het Villa Parc is het vakantiepark Roompot gelegen. Vanuit deze richting is het Villa Parc alleen bereikbaar voor fietsers en voetgangers. Dit is geen doorgaande weg, maar een doorlopende weg.
Op de [adres] is volgens verzoekers op de hoek van iedere zijweg, waaronder [adres] , een bord aanwezig waar de tekst ‘verboden toegang’ op is vermeld. Daarnaast is het onderhoud van [adres] in eigen beheer van verzoekers en de andere bewoners van de straat, hoewel de voorzieningenrechter daarbij opmerkt dat de eigendomssituatie in dit geval enkel als aanwijzing kan dienen en niet bepalend is voor de vraag of de straat voor publiek algemeen toegankelijk is of niet.
Ter zitting heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat op het Villa Parc zelf geen beelden van Google Streetview raadpleegbaar zijn. Desgevraagd heeft de gemachtigde van het college erkend niet ter plaatse geweest te zijn en niet te kunnen verklaren in hoeverre voornoemde omstandigheden juist zijn.
Gelet op deze verklaring van de gemachtigde van het college en de feiten en omstandigheden zoals haar nu bekend zijn, is de voorzieningenrechter er niet van overtuigd geraakt dat de weg [adres] omschreven kan worden als openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is. Zij is daarom van oordeel dat het college onvoldoende gemotiveerd heeft dat sprake is van aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zoals bedoeld in bijlage 1 van het Bbl. Door dit motiveringsgebrek is niet duidelijk geworden waar het achtererfgebied begint en of het tuinhuis daar deels of volledig op gevestigd is. Daarom is niet met zekerheid vast te stellen of het tuinhuis conform de uitzondering in artikel 22.27 van het omgevingsplan vergunningvrij, en daardoor niet in strijd met artikel 22.26 van het omgevingsplan, op het perceel aanwezig is.
Resumerend is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat het college onvoldoende gemotiveerd heeft dat sprake is van een overtreding van het omgevingsplan. Zij ziet daarin reden om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen en schorst het bestreden besluit tot zes weken nadat het college op het bezwaar van verzoekers heeft beslist. Aan een bespreking van de overige gronden van het verzoek van verzoekers komt de voorzieningenrechter daarom niet toe.
Conclusie
Het verzoek wordt toegewezen.