Rechtbank Gelderland 24 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:3037. Het college heeft aan de derde partij een omgevingsvergunning verleend voor het omzetten van een zelfstandige woonruimte en/of het exploiteren van een kamerverhuurpand o.g.v. het TAM (tijdelijke alternatieve maatregel) - voorbereidingsbesluit voorbeschermingsregels kamerverhuurpanden [plaats] (hierna: het voorbereidingsbesluit). De omgevingsvergunning voor kamerverhuur ziet op vier onzelfstandige woonruimten in het pand [locatie] te [plaats] en heeft een geldigheidsduur van twee jaar (o.g.v. art. 5.1, lid 1, onder a Omgevingswet in samenhang met art. 1.3 TAM-voorbereidingsbesluit voorbeschermingsregels kamerverhuurpanden).

De rb. kan het college volgen in het standpunt dat de aanvraag moet worden beoordeeld aan de hand van de criteria van het voorbereidingsbesluit. Hier hebben eisers ook geen gronden tegen gericht. Op grond van art. 1.3 van het voorbereidingsbesluit is het verboden zonder omgevingsvergunning een zelfstandige woonruimte om te zetten in drie of meer onzelfstandige woonruimtes.
Op grond van art. 1.5 v.h. voorbereidingsbesluit wordt deze vergunning geweigerd indien vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat verlening leidt tot een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in het gebouw en in de omgeving van het gebouw. Hiervan is in ieder geval sprake indien:
a. meer dan 5% van de tot bewoning bestemde gebouwen in de buurten ‘Binnenstad’ en ‘De Haven’ en tenminste 1% van de tot bewoning bestemde gebouwen in de overige buurten van de gemeente wordt gebruikt voor huisvesting als bedoeld in art. 1.3, zoals aangegeven op de bij deze voorbereidingsregeling gevoegde kaart of;
b. de aanvraag betrekking heeft op een pand dat, rondom dat pand gemeten vanaf de dichtstbijzijnde gevelwanden, is gelegen op minder dan 50 meter van een geregistreerd kamerverhuurpand, rondom gemeten van gevel tot gevel, dan wel van een pand waarvoor een aanvraag tot een omgevingsvergunning als bedoeld in art. 1.3 is ingediend;
c. de gebruiksoppervlakte in de woning per persoon kleiner is dan 25 m2, gemeten conform de NEN 2580.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat het voor de buurt vastgestelde maximumpercentage aan onzelfstandige woonruimte nog niet is bereikt. Evenmin staat ter discussie dat zich binnen een straal van 50 meter van het pand aan de [locatie] geen andere kamerverhuurpanden bevinden. Er is dus voldaan aan de vereisten van art. 1.5, lid 1, onder a t/m c v.h. voorbereidingsbesluit.
Het college kan een omgevingsvergunning voor kamerverhuur echter nog steeds weigeren als vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat verlening leidt tot een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in het gebouw en in de omgeving van het gebouw.