Bij besluit van 24 augustus 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deventer aan [maatschap] een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor de bouw van drie stallen en sleufsilo’s op het perceel [locatie 1] in Schalkhaar. Stichting Animal Rights betoogt dat er sprake is van toename van de kans op bodemvervuiling en luchtvervuiling en lawaai. De drinkwatervoorziening wordt volgens haar te veel aangetast.

Stichting Animal Rights betoogt dat de rechtbank ten onrechte het relativiteitsvereiste (art. 8:69a Awb) heeft gehanteerd voor de door de rechtbank weergegeven beroepsgronden dat:
a. sprake is van toename van de kans op bodem- en luchtvervuiling en lawaai;
b. de drinkwatervoorziening wordt aangetast;
c. ten onrechte is afgeweken van de bestemming die bouw niet toestaat;
e. er geen inspraak mogelijk is geweest tegen het besluit dat geen MER hoeft te worden gemaakt;
g. de verkeerde procedure is gevolgd bij afwijking van het bestemmingsplan, en
i. het besluit in strijd is met de artikelen 6 en 9 van het Verdrag van Aarhus omdat is vermeld dat alleen belanghebbenden in beroep kunnen gaan en de stukken niet ter inzage hebben gelegen en zienswijzen niet per e-mail konden worden ingediend.
Zoals is overwogen in de uitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4774, staat de relativiteit in de weg aan vernietiging van het besluit als beroep wordt gedaan op een procedurele norm die of een formeel beginsel van behoorlijk bestuur dat geen betrekking heeft op inspraak, of als wordt aangevoerd dat in strijd is met een materiële norm is gehandeld en die norm niet strekt tot bescherming van de belangen die worden behartigd.
In dit geval volgt uit de statuten van Stichting Animal Rights dat de stichting niet alleen opkomt voor de belangen van dieren die worden gehouden, maar ook voor de belangen van in (relatieve) vrijheid levende dieren. De belangen van de dieren in de omgeving van [locatie 1] en de kwaliteit van hun bestaan en natuurlijke habitat, behoren gelet hierop tot de belangen die de stichting behartigt. Omdat niet uitgesloten is dat de norm van een goede ruimtelijke ordening waarop Stichting Animal Rights zich beroept ook strekt tot bescherming van deze belangen, ziet de Afdeling anders dan de rechtbank geen aanleiding om voor de beroepsgronden onder a, b en c het relativiteitsvereiste te hanteren.