Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Uitspraak over sloopvergunning als OPA (vanwege archeologie) en ontbreken onlosmakelijke samenhang met andere (bodem)toestemmingen

De Rechtbank Oost-Brabant heeft op 7 mei 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2704, een relevante uitspraak gedaan over een sloopvergunning als omgevingsplanactiviteit onder de Omgevingswet. Hierbij kwam ook het vervallen van de onlosmakelijke samenhang aan de orde met betrekking tot eventuele andere publiekrechtelijke toestemmingen op het gebied van bodem(sanering).

7 May 2026

Samenvattingen

Op de locatie waren vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Salderes 2010” (het bestemmingsplan) en het latere parapluplan “Parkeernormen en Archeologie” (het parapluplan) van kracht. Deze plannen maken daarom nu onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente. Binnen de aan de orde zijnde bestemmingen is een sloopvergunningenstelsel opgenomen met als doel de mogelijke archeologische waarden te beschermen. Op grond van de planregels geldt in dit geval een verbod om aanwezige bouwwerken zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning te slopen. Omdat in (het tijdelijk deel van) het omgevingsplan een sloopvergunningstelsel is opgenomen, is de voorgenomen activiteit vergunningplichtig op grond van art. 5.1, lid 1, onder a Omgevingswet. De rechtbank merkt op dat het besluit een omgevingsvergunning betreft die enkel ziet op het toestaan van sloopactiviteiten in het kader van de artikelen 6 en 7 van het parapluplan. Het sloopvergunningstelsel in het parapluplan is opgezet ten behoeve van het behoud van (mogelijk) aanwezige archeologische waarden. Dit betekent dat de regels waar eiseres op wijst ten aanzien van onder andere bodembescherming en bescherming van de volksgezondheid, geen onderdeel zijn van het toetsingskader. Het college heeft namelijk alleen een vergunning verleend in het kader van de mogelijk aanwezige archeologische waarden en beoordeeld of sprake is van een onevenredige aantasting daarvan. Hierbij dient te worden opgemerkt dat met de inwerkingtreding van de Omgevingswet de regeling voor de onlosmakelijke samenhang tussen activiteiten is komen te vervallen en dat het college in het bestreden besluit expliciet heeft opgenomen dat de vergunning is verleend in het kader van de archeologische waarden en dat de vergunninghouder mogelijk nog andere toestemmingen moet vragen. De mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de eventuele noodzaak van sanering en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, betreffen aspecten die zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Die procedures staan nu niet ter beoordeling.

UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 7 mei 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2704, een relevante uitspraak gedaan over een sloopvergunning als omgevingsplanactiviteit onder de Omgevingswet. Hierbij kwam ook het vervallen van de onlosmakelijke samenhang aan de orde met betrekking tot eventuele andere publiekrechtelijke toestemmingen op het gebied van bodem(sanering).

Op de locatie waren vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Salderes 2010” (het bestemmingsplan) en het latere parapluplan “Parkeernormen en Archeologie” (het parapluplan) van kracht. Deze plannen maken daarom nu onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente. Binnen de aan de orde zijnde bestemmingen is een sloopvergunningenstelsel opgenomen met als doel de mogelijke archeologische waarden te beschermen. Op grond van de planregels geldt in dit geval een verbod om aanwezige bouwwerken zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning te slopen. Omdat in (het tijdelijk deel van) het omgevingsplan een sloopvergunningstelsel is opgenomen, is de voorgenomen activiteit vergunningplichtig op grond van art. 5.1, lid 1, onder a Omgevingswet.

De rechtbank merkt op dat het besluit een omgevingsvergunning betreft die enkel ziet op het toestaan van sloopactiviteiten in het kader van de artikelen 6 en 7 van het parapluplan. Het sloopvergunningstelsel in het parapluplan is opgezet ten behoeve van het behoud van (mogelijk) aanwezige archeologische waarden. Dit betekent dat de regels waar eiseres op wijst ten aanzien van onder andere bodembescherming en bescherming van de volksgezondheid, geen onderdeel zijn van het toetsingskader. Het college heeft namelijk alleen een vergunning verleend in het kader van de mogelijk aanwezige archeologische waarden en beoordeeld of sprake is van een onevenredige aantasting daarvan. Hierbij dient te worden opgemerkt dat met de inwerkingtreding van de Omgevingswet de regeling voor de onlosmakelijke samenhang tussen activiteiten is komen te vervallen en dat het college in het bestreden besluit expliciet heeft opgenomen dat de vergunning is verleend in het kader van de archeologische waarden en dat de vergunninghouder mogelijk nog andere toestemmingen moet vragen. De mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de eventuele noodzaak van sanering en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, betreffen aspecten die zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Die procedures staan nu niet ter beoordeling. De rechtbank overweegt dat, ook zoals volgt uit rechtsoverweging 5 en uit de uitspraak van de voorzieningenrechter, dat het sloopvergunningstelsel is opgezet ten behoeve van het behoud van (mogelijk) aanwezige archeologische waarden. Het voorgaande betekent dat de regels die zijn gesteld in het kader van onder meer bodembescherming en bescherming van de volksgezondheid, waar eiseres een beroep op doet, geen onderdeel van het toetsingskader zijn. Het college heeft namelijk alleen een vergunning verleend in het kader van de mogelijk aanwezige archeologische waarden en beoordeeld of sprake is van een onevenredige aantasting daarvan. De rechtbank merkt daarbij op dat met de inwerkingtreding van de Ow regeling voor de onlosmakelijke samenhang tussen activiteiten is komen te vervallen en dat het college in het bestreden besluit expliciet heeft opgenomen dat de vergunning is verleend in het kader van de archeologische waarden en dat de vergunninghouder mogelijk nog andere toestemmingen moet vragen. De mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de eventuele noodzaak van sanering en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, betreffen aspecten die zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Die procedures staan nu niet ter beoordeling.

UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN

Vergunninghouder heeft op 11 oktober 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het voor het slopen van de bedrijfshallen op de locatie. Met het bestreden besluit van 7 januari 2025 heeft het college de gevraagde vergunning verleend. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Waar gaat deze zaak over?

Op de locatie was een verf- en coatingfabriek aanwezig, deze bedrijfsactiviteiten zijn inmiddels beëindigd. Om herontwikkeling van het perceel mogelijk te maken is het nodig dat de voormalig bedrijfshallen, inclusief funderingen, worden gesloopt.

Toetsingskader

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente, op grond van artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Ow in samenhang gelezen met artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet, direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden alsook de bestemmingsplannen die na 2024 zijn vastgesteld, maar waarvan het ontwerp vóór de inwerkingtreden van de Ow ter inzage is gelegd.

Op de locatie waren vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Salderes 2010” (het bestemmingsplan) en het latere parapluplan “Parkeernormen en Archeologie” (het parapluplan) van kracht. Deze plannen maken daarom nu onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente. Op grond van het parapluplan rust op een deel van de locatie de bestemming “Waarde – Archeologie 4” (gebied met een hoge archeologische verwachting) en op een deel van de locatie de bestemming “Waarde – Archeologie 5” (gebied met een middelhoge archeologische verwachting).

Binnen deze bestemmingen is een sloopvergunningenstelsel opgenomen met als doel de mogelijke archeologische waarden te beschermen. Op grond van de artikelen 6.6.1 en 7.6.1 van de planregels geldt in dit geval een verbod om aanwezige bouwwerken zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning te slopen. Omdat in (het tijdelijk deel van) het omgevingsplan een sloopvergunningstelsel is opgenomen, is de voorgenomen activiteit vergunningplichtig op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.

Het college kan op grond van de artikelen 6.6.3 en 7.6.3 van de planregels voor de voorgenomen sloopactiviteit een omgevingsvergunning verlenen met dien verstande dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien sloop onevenredige aantasting van de archeologische waarden tot gevolg heeft.

De rechtbank merkt op dat het besluit een omgevingsvergunning betreft die enkel ziet op het toestaan van sloopactiviteiten in het kader van de artikelen 6 en 7 van het parapluplan. Het sloopvergunningstelsel in het parapluplan is opgezet ten behoeve van het behoud van (mogelijk) aanwezige archeologische waarden. Dit betekent dat de regels waar eiseres op wijst ten aanzien van onder andere bodembescherming en bescherming van de volksgezondheid, geen onderdeel zijn van het toetsingskader. Het college heeft namelijk alleen een vergunning verleend in het kader van de mogelijk aanwezige archeologische waarden en beoordeeld of sprake is van een onevenredige aantasting daarvan. Hierbij dient te worden opgemerkt dat met de inwerkingtreding van de Omgevingswet de regeling voor de onlosmakelijke samenhang tussen activiteiten is komen te vervallen en dat het college in het bestreden besluit expliciet heeft opgenomen dat de vergunning is verleend in het kader van de archeologische waarden en dat de vergunninghouder mogelijk nog andere toestemmingen moet vragen. De mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de eventuele noodzaak van sanering en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, betreffen aspecten die zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Die procedures staan nu niet ter beoordeling.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte niet heeft getoetst aan bepaalde wetgeving. Het feit dat bepaalde aspecten onder andere regelgeving vallen, betekent niet dat zij buiten beschouwing mogen blijven bij de beoordeling van een aanvraag. Als vooraf duidelijk is dat een activiteit mogelijk milieuschade of verspreiding van verontreiniging veroorzaakt, kan de gemeente niet volstaan met verwijzing naar toekomstige procedures. Anders zouden vergunningen worden verleend zonder zekerheid over de veiligheid en uitvoerbaarheid. Het college en de voorzieningenrechter stellen dat bodemverontreiniging buiten het toetsingskader valt omdat dit door andere regelgeving wordt geregeld, en dat de aanwezigheid van een parapluregeling voor archeologie verdere toetsing overbodig maakt. Dit standpunt is echter onjuist en miskent dat bestuursorganen alle relevante omstandigheden moeten meewegen. Een parapluplan heeft namelijk een beperkte reikwijdte en ziet slechts op één specifiek onderwerp, zoals archeologie. Het vormt geen integrale beoordeling van andere milieu- of ruimtelijke aspecten en vervangt andere wettelijke toetsingskaders niet. Door aan te nemen dat verdere toetsing achterwege kan blijven, berust het besluit op een onjuiste juridische grondslag. Omdat de gemeente geen zelfstandige en voldoende gemotiveerde beoordeling heeft uitgevoerd, is het besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank overweegt dat, ook zoals volgt uit rechtsoverweging 5 en uit de uitspraak van de voorzieningenrechter, dat het sloopvergunningstelsel is opgezet ten behoeve van het behoud van (mogelijk) aanwezige archeologische waarden. Het voorgaande betekent dat de regels die zijn gesteld in het kader van onder meer bodembescherming en bescherming van de volksgezondheid, waar eiseres een beroep op doet, geen onderdeel van het toetsingskader zijn. Het college heeft namelijk alleen een vergunning verleend in het kader van de mogelijk aanwezige archeologische waarden en beoordeeld of sprake is van een onevenredige aantasting daarvan. De rechtbank merkt daarbij op dat met de inwerkingtreding van de Ow regeling voor de onlosmakelijke samenhang tussen activiteiten is komen te vervallen en dat het college in het bestreden besluit expliciet heeft opgenomen dat de vergunning is verleend in het kader van de archeologische waarden en dat de vergunninghouder mogelijk nog andere toestemmingen moet vragen. De mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de eventuele noodzaak van sanering en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, betreffen aspecten die zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures (ABRvS 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:787). Die procedures staan nu niet ter beoordeling.

Wat eiseres verder heeft aangevoerd over mogelijke bodem-, lucht- en waterverontreiniging, gezondheidsrisico’s en gevaarlijke stoffen, waaronder asbest en PFAS, zal de rechtbank gelet op het hiervoor omschreven toetsingskader daarom buiten beschouwing laten.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft.

Artikel delen