In de uitspraak rechtbank Noord-Holland 26 januari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:215 wordt ingegaan op de relatie tussen een benodigde omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen en een omgevingsplanactiviteit inzake monumenten.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit waarvoor op dit moment een vergunning is vereist. Een omgevingsplanactiviteit behelst een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten. Uit artikel 6.6 van het omgevingsplan (de gemeenteraad van Zaanstad heeft de binnenplanse vergunningplicht voor de “omgevingsplanactiviteit bouwwerken” uit de zogenaamde “Bruidsschat” bij de invoering van de Ow (artikel 22.26) reeds omgezet in artikel 6.6 van het omgevingsplan) volgt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten. In artikel 2.27 van het omgevingsplan (de overige bepalingen uit paragraaf 22.2.7.2 over “Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken” van de Bruidsschat heeft de Zaanse raad (nog) niet omgezet, zodat die onderdeel zijn van het omgevingsplan) zijn uitzonderingen op het verbod van artikel 6.6 opgenomen, maar in artikel 2.28 van het omgevingsplan is bepaald dat artikel 2.27 niet van toepassing is als sprake is van een activiteit die wordt verricht aan een gemeentelijk monument.
Ingevolge artikel 22.2, eerste lid van het omgevingsplan wordt daaronder verstaan een monument dat op grond van “een gemeentelijke verordening is aangewezen”, zoals het pand in onderhavige zaak. De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet in hun stelling dat artikel 22.2, tweede lid, van het omgevingsplan in dit geval meebrengt dat het eerste lid niet van toepassing is. In dat tweede lid is bepaald dat het eerste lid van toepassing is zolang aan het monument in het omgevingsplan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven. Dat het pand in het bestemmingsplan Wormerveer – laatstelijk in 2015 – de aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ heeft gekregen, maakt – anders dan verzoekers aanvoeren – nog niet dat het pand daarmee ook in het omgevingsplan onder de Ow de functie-aanduiding gemeentelijk monument heeft gekregen. Ter zitting heeft het college toegelicht dat die aanduiding in een bestemmingsplan onder het tot 1 januari 2024 geldende regime bedoeld was om in het bestemmingsplan te laten zien dat daar een monumentenaanwijzing gold. In het bestemmingsplan zijn daaraan geen voorschriften of regels verbonden. Van een aanwijzing onder het nieuwe recht is daarmee dan ook geen sprake, nog daargelaten dat de oude gemeentelijke verordening (Vfl), waarin de aanwijzing tot monumenten (mede) is geregeld, op grond van het omgevingsrecht haar gelding heeft behouden en in het omgevingsplan nog geen regels over aanwijzing van monumenten zijn opgenomen. Uit een en ander vloeit voort dat het college er vooralsnog terecht vanuit gaat dat verzoekers bouwen zonder de vereiste omgevingsvergunning voor de (binnenplanse) omgevingsplanactiviteit bouwwerken als bedoeld in artikel 6.6 van het omgevingsplan.
De stelling dat artikel 5.72 Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad (Vfl) een lex specialis is, die voorgaat op de bepalingen uit het omgevingsplan als het gaat om bouwwerkzaamheden aan een monument, kan dat niet anders maken, reeds omdat artikel 6.6 van het omgevingsplan sec ziet op bouwen en een omgevingsvergunningsplicht voor een omgevingsplanactiviteit voor het veranderen (e.d.) van een gemeentelijk monument daar los van staat. Artikel 5.72 van de Vfl voorziet overigens in een (afzonderlijk) verbod om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning (dat is onder de Ow ook een omgevingsvergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit maar losstaand van de activiteit (ver)bouwen) een gemeentelijk monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, terwijl artikel 6.6 van het omgevingsplan voorziet in een verbod om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Beide verbodsbepalingen kunnen naast elkaar bestaan. Als onder de Vfl een vrijstelling geldt voor de omgevingsvergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit veranderen van een gemeentelijk monument voor geringe, het monument niet aantastende bouwwerkzaamheden, dan levert dat dus nog geen vrijstelling op van de omgevingsvergunningsplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken als bedoeld in artikel 6.6 van het omgevingsplan.
Ook het betoog van verzoekers dat de werkzaamheden vallen onder de vergunning die verleend is in 2020, volgt de voorzieningenrechter niet. Het bouwplan waarvoor in 2020 een vergunning is verleend voor bouwen en veranderen van een gemeentelijk monument, ziet, zo is ter zitting ook vastgesteld, op andere aanpassing(en) in het pand dan het huidige bouwplan. Destijds was nog geen sprake van een algehele, verdere “verkamering” van het pand, zoals nu wel het geval is. Voor zover verzoekers bedoelen aan te voeren dat een eenmaal verleende omgevingsvergunning om een gemeentelijk monument te veranderen een vrijbrief zou geven om in het vervolg zonder nieuwe vergunning andere veranderingen aan te brengen, miskennen verzoekers de reikwijdte van zo’n vergunning. De vraag of de wijzigingen van ondergeschikte aard zijn, is daarbij niet relevant. De vergunning uit 2020 staat in rechte vast, zodat geen ruimte bestaat voor uitvoering van het huidige bouwplan binnen die vergunning.
De vergunningplicht voor de hiervoor besproken omgevingsplanactiviteit volgt uit artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, Ow. De overtreding van dat artikel is reeds voldoende grondslag om handhavend op te treden.