Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Uitspraak overgangsrecht bodem Omgevingswet: rechtbank bevoegd of Abrvs om beroep te beoordelen?

Op 2 januari 2026 is een interessante uitspraak gepubliceerd van de rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2025:11544) over het overgangsrecht van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet en wie bevoegd is om het beroep te beoordelen: de rechtbank of de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (die onder de Wet bodembescherming) in eerste en enige aanleg oordeelde over bodemkwesties.

2 January 2026

Jurisprudentie – Samenvattingen

Eiser woont op het adres [locatie] in [plaats]. Tot omstreeks het jaar 1988 was op deze locatie een tankstation gevestigd, bestaande uit een pompeiland, een ondergrondse benzinetank en een ondergrondse dieseltank (de brandstoftanks). Het pompeiland is na die tijd verwijderd. De brandstoftanks zijn tot op heden nog wel aanwezig in de ondergrond. Deze brandstoftanks hebben een omhooggaand vulpunt, in de vorm van een ijzeren buis, dat zich vlak onder het straatniveau bevindt. Tot omstreeks april/mei 2023 was één van deze vulpunten afgedekt met een putdeksel.

Nadat de gemeente in april 2023 een melding kreeg dat de putdeksel niet meer op zijn plek en scheef in het wegdek lag en enkele dagen daarna de putdeksel geheel was verdwenen, heeft de gemeente besloten om geen vervangende putdeksel terug te plaatsen. In plaats daarvan hebben medewerkers van de gemeente volgens haar op 1 juni 2023 de putkraag1 verwijderd en de ruimte tussen het vulpunt en het straatniveau opgevuld met schoon zand, de ontstane ruimte in het straatwerk bestraat met straatklinkers en de locatie van het vulpunt door middel van GPS ingemeten.

Op 8 januari 2024 heeft eiser een verzoek tot handhavend optreden ingediend bij het college. In dit verzoek heeft eiser gesteld dat de gemeente op 1 juni 2023 handelingen heeft verricht waarbij het vulpunt inclusief de verbindingen met de onderliggende tanks naar beneden zijn gedrukt en daarmee zijn beschadigd. Dit heeft volgens eiser mogelijk tot een bodemverontreiniging geleid. Hiermee heeft de gemeente volgens eiser onder meer artikel 13 van de Wet bodembescherming (Wbb) overtreden.

Op 7 mei 2024 heeft het college het verzoek tot handhavend optreden van eiser afgewezen (het primaire besluit). Het college heeft in het primaire besluit besloten dat de gemeente met de werkzaamheden geen wet- en regelgeving heeft overtreden.

Op 2 oktober 2024 heeft het college beslist op het bezwaar van eiser (de beslissing op bezwaar). In de beslissing op bezwaar heeft het college het primaire besluit in stand gelaten en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet bodem Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 3.2a van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet zijn, op gevallen waarin de veroorzaakte verontreiniging of aantasting als bedoeld in artikel 13 van de Wbb voor het tijdstip van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is veroorzaakt, de artikelen 13, 27, 88 en 95 van de Wbb, zoals die luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing.

Op 8 januari 2024 heeft eiser een verzoek tot handhavend optreden ingediend bij het college. In dit verzoek heeft eiser gesteld dat de gemeente op 1 juni 2023 handelingen heeft verricht waarbij het vulpunt inclusief de verbindingen met de onderliggende tanks naar beneden zijn gedrukt en daarmee zijn beschadigd. Dit heeft volgens eiser mogelijk tot een bodemverontreiniging geleid en daarmee heeft de gemeente onder meer artikel 13 van de Wbb heeft overtreden. Dat betekent dat op het verzoek op handhaving het recht, waaronder de Wbb, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Bevoegdheid rechtbank

De rechtbank overweegt dat tot 1 januari 2024 de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op grond van artikel 8:6, eerste lid, in samenhang met artikel 2 van bijlage 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zoals die op dat moment gold, in ieder geval bevoegd in eerste en enige aanleg kennis te nemen van een beroep tegen een besluit op grond van de Wbb. Met de op 1 januari 2024 in werking getreden Aanvullingswet bodem Omgevingswet is de Wbb ingetrokken en de Awb gewijzigd in die zin dat in artikel 2 van bijlage 2 van de Awb het onderdeel ‘Wet bodembescherming’ is vervallen.

Uit artikel 3.2a van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet volgt niet, anders dan bijvoorbeeld uit de artikelen 3.1 en 3.2 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet die als titel ‘eerbiedigend overgangsrecht’ hebben, dat al het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft op een voor dat tijdstip veroorzaakte verontreiniging of aantasting als bedoeld in artikel 13 van de Wbb.

Het primaire besluit en de beslissing op bezwaar zijn genomen na 1 januari 2024. Dat betekent onder meer dat de Awb, zoals die geldt na 1 januari 2024, van toepassing is. Omdat de Wbb niet meer in artikel 2 van bijlage 2 van de Awb is opgenomen, is niet de Afdeling maar de rechtbank bevoegd om kennis te nemen van het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar (Zie Kamerstukken II 2017/18, 34864, nr. 3, p. 81-82).

Omvang van het geding

Eiser heeft op 9 januari 2024 een verzoek tot handhavend optreden ingediend bij het college. In dit verzoek heeft eiser kortgezegd verzocht om handhavend op te treden jegens de gemeente. Eiser stelt dat medewerkers van de gemeente op 1 juni 2023 een controleput hebben verwijderd inclusief de verbindingen met de onderliggende brandstoftanks. Met deze werkzaamheden heeft de gemeente volgens eiser de zorgplichten als bedoeld in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet en de artikelen 13, 27, 28 en 29 van de Wbb overtreden.

In het primaire besluit van 7 mei 2024 heeft het college het verzoek van eiser tot handhavend optreden afgewezen. In zijn beroepschrift heeft eiser onder meer gesteld dat tijdens werkzaamheden op 12 september 2024 een geul is gegraven in de verontreinigde grond door een telecombedrijf. Verder heeft eiser verzocht aan de rechtbank om het college dan wel de gemeente te verplichten om verschillende handelingen uit te voeren en de gemeente aansprakelijk te stellen voor de ontstane schade. In zijn pleitnota voert eiser verder aan dat de gemeente in strijd heeft gehandeld met de artikelen 13.1 en 13.2 van de Omgevingswet, artikel 1.1a van de Wet milieubeheer, artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 2 en 3 van de Wet publieke gezondheid en de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb.

De rechtbank overweegt dat het vaste rechtspraak is van de Afdeling dat de reikwijdte van een handhavingsverzoek na het primaire besluit niet meer mag worden uitgebreid. Het verzoek om handhaving had, zoals hiervoor is overwogen, geen betrekking op de handelingen die namens het telecombedrijf zijn verricht op 12 september 2024 en in het bijzonder de genoemde bepalingen uit de Wbb en de Omgevingswet. Gelet daarop kon de beslissing op bezwaar geen betrekking hebben op deze handelingen en komt, wat daar ook van zij, geen betekenis toe aan wat eiser daarover in bezwaar en beroep heeft gesteld. Verder kon de beslissing op bezwaar ook geen betrekking hebben op de bepalingen die zijn aangevoerd door eiser in zijn pleitnota. Wat betreft de verzoeken van eiser om de gemeente te verplichten om verschillende handelingen uit te laten voeren en de gemeente aansprakelijk te stellen voor de ontstane schade, merkt de rechtbank op dat eiser dit ook niet heeft opgenomen in zijn handhavingsverzoek. De rechtbank zal daarom alleen beoordelen of het college terecht het verzoek tot handhavend op te treden tegen de handelingen die de medewerkers van de gemeente heeft verricht op 1 juni 2023 heeft kunnen afwijzen.

Artikel delen