Op 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5480 deed de ABRvS weer een uitspraak over het functioneel daderschap in het bestuursrechtelijke handhavingsrecht en de vraag of een stichting als overtreder kan worden aangemerkt.

De Stichting betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zij niet als overtreder van de illegale bewoning kan worden aangemerkt en dat de overtreding ook niet aan haar kan worden toegerekend. Zij stelt dat zij de ruimte heeft verhuurd en dat de huurder de bedrijfswoning in strijd met het huurcontract heeft onderverhuurd. Namens de Stichting is de bedrijfswoning vrijwel maandelijks bezocht om te controleren of deze niet werd onderverhuurd. Zij ging ervan uit dat uitsluitend de huurder zelf de ruimte bewoonde. De Stichting stelt daarmee aan haar zorgplicht te hebben voldaan.
De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank over deze beroepsgrond onder 6.1 en verder van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067 en ECLI:NL:RVS:2023:2071, aan de hand van de strafrechtelijke criteria voor functioneel daderschap, zoals die zijn geformuleerd door de strafkamer van de Hoge Raad, beoordeeld of de Stichting als overtreder kon worden aangemerkt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Stichting als eigenaar van de bedrijfswoning erover vermocht te beschikken of het illegaal onderverhuren van kamers al dan niet zou plaatsvinden. Ook heeft de rechtbank terecht overwogen dat de Stichting heeft aanvaard dat de bedrijfswoning werd bewoond door onder meer een persoon die geen binding had met [naam bedrijf], omdat zij de woning heeft verhuurd aan [persoon E] die niet aan dat bedrijf was verbonden. De rechtbank heeft ook terecht betekenis toegekend aan de verklaring van [persoon F] (directeur van de Stichting) zoals opgenomen in het rapport van de toezichthouder van 24 maart 2020. Uit die verklaring blijkt dat zij wist dat er naast [persoon E] meerdere personen in de bedrijfswoning woonden die niet tezamen één huishouden vormden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Stichting, door hierop geen actie te ondernemen, deze situatie kennelijk heeft aanvaard.
De rechtbank heeft in haar oordeel de stelling van de Stichting dat de bedrijfswoning vrijwel maandelijks werd bezocht, betrokken. Die omstandigheid maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank heeft daarin dan ook terecht geen grond gevonden voor een ander oordeel.