De padelrage heeft de rechtbanken inmiddels ook al bereikt. Er komen steeds meer 'padel-uitspraken'. Zo is 2 weken geleden een uitspraak gedaan over een maatwerkvoorschrift geluid op basis van het Omgevingsplan bij een padelbaan:

Op 12 mei 2026 heeft de rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2026:1728) zich moeten buigen over de vraag of padel al dan niet is aan te merken als een 'lawaaisport' en dus al dan niet strijdig is met het vigerende bestemmingsplan ter plaatse.
Eisers stellen dat het bouwplan niet past binnen het bestemmingsplan omdat padel moet worden gekwalificeerd als een lawaaisport. Ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan had padel nog niet de bekendheid die het nu heeft, waardoor bij het opstellen van het bestemmingsplan geen rekening is gehouden met padel als lawaaisport. Lawaaisport is volgens het bestemmingsplan alleen toegestaan op locaties waarvoor de aanduiding ‘lawaaisport’ geldt. Omdat het onderhavige perceel deze aanduiding niet heeft is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of padel een lawaaisport is in de zin van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan bevat geen definitie van het begrip ‘lawaaisport’. In de planregel staat dat onder een lawaaisportterrein in ieder geval wordt begrepen: een motor- en quadcrossterrein, kartbanen en grasbanen. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat niet is uitgesloten dat padel een lawaaisport is. In de plantoelichting wordt niet ingegaan op de betekenis van lawaaisport. Daarom zoekt de rechtbank aansluiting bij wat in het algemeen spraakgebruik wordt verstaan onder het begrip ‘lawaaisport’. In de Van Dale wordt lawaaisport gedefinieerd als: sport waarbij veel lawaai wordt gemaakt (zoals motorcross en autosport). Lawaai wordt gedefinieerd als: hard, onaangenaam geluid. Gelet op het bovenstaande ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank een objectieve norm over wanneer sprake is van een lawaaisport in de zin van het bestemmingsplan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat padel geen lawaaisport is in de zin van het bestemmingsplan, omdat de voorbeelden in artikel 30.1, aanhef en onder c, van de planregel, en ook de voorbeelden in de Van Dale, zien op gemotoriseerde sporten. Padel is geen gemotoriseerde sport. Daarom past padel binnen de bestemming ‘sport’
UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN
Eisers stellen dat het bouwplan niet past binnen het bestemmingsplan omdat padel moet worden gekwalificeerd als een lawaaisport. Ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan had padel nog niet de bekendheid die het nu heeft, waardoor bij het opstellen van het bestemmingsplan geen rekening is gehouden met padel als lawaaisport. Lawaaisport is volgens het bestemmingsplan alleen toegestaan op locaties waarvoor de aanduiding ‘lawaaisport’ geldt. Omdat het onderhavige perceel deze aanduiding niet heeft is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan.
Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan past binnen de bestemming ‘sport’ in het bestemmingsplan, waardoor het op grond van artikel 2.10 van de Wabo gehouden was een omgevingsvergunning te verlenen. Uit jurisprudentie volgt namelijk dat de verschillen tussen padel en tennis onvoldoende zijn om te stellen dat padel niet binnen de bestemming ‘sport’ valt. Daarnaast is padel geen lawaaisport volgens het college. Uit artikel 30.1, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan volgt namelijk dat het de bedoeling van de planwetgever was om gemotoriseerde of gemechaniseerde sporten, en sporten met zelfstandige geluidsproductie anders dan spierkracht, als lawaaisporten aan te merken.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank past het bouwplan binnen het bestemmingsplan. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De betreffende gronden hebben de bestemming ‘sport’. Op grond van artikel 30.1, aanhef en onder a, van de planregels, mogen de voor ‘sport’ aangewezen gronden gebruikt worden voor sportterreinen. Op grond van artikel 30.1, aanhef en onder c, van de planregels mogen de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - lawaaisport', ook worden gebruikt voor een lawaaisportterrein en de daarbij behorende voorzieningen.
Niet in geschil is dat een padelbaan is aan te merken als een sportterrein. Tussen partijen is ook niet in geschil dat ter plaatse geen aanduiding ‘specifieke vorm van sport-lawaaisport’ geldt. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of padel een lawaaisport is in de zin van het bestemmingsplan. Als het antwoord bevestigend is, kon de vergunning alleen worden verleend met een uitgebreide ruimtelijke onderbouwing.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend zijn (ABRvS 1 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1838). Een planregel moet letterlijk worden uitgelegd, vanwege de rechtszekerheid. Als de planregel op zichzelf niet duidelijk is, en ook niet in samenhang met de andere planregels (systematiek), komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. Die plantoelichting kan namelijk meer inzicht geven in de bedoeling van de planwetgever. Bij een gebrek aan aanknopingspunten in het bestemmingsplan voor de wijze waarop een in het bestemmingsplan opgenomen begrip moet worden uitgelegd, kan aansluiting worden gezocht bij wat in het algemeen spraakgebruik wordt verstaan onder dat begrip. Daarbij mag de betekenis zoals deze in het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal (de Van Dale) is gegeven, worden betrokken (ABRvS 8 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1958).
De rechtbank bekijkt dus eerst of artikel 30.1 van de planregels kan worden uitgelegd aan de hand van de letterlijke betekenis van de tekst van de regel. Het bestemmingsplan bevat geen definitie van het begrip ‘lawaaisport’. In de planregel staat dat onder een lawaaisportterrein in ieder geval wordt begrepen: een motor- en quadcrossterrein, kartbanen en grasbanen. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat niet is uitgesloten dat padel een lawaaisport is.
In de plantoelichting wordt niet ingegaan op de betekenis van lawaaisport. De rechtbank ziet hierin dus geen aanknopingspunten voor de uitleg van het begrip ‘lawaaisport’.
Daarom zoekt de rechtbank aansluiting bij wat in het algemeen spraakgebruik wordt verstaan onder het begrip ‘lawaaisport’. In de Van Dale wordt lawaaisport gedefinieerd als: sport waarbij veel lawaai wordt gemaakt (zoals motorcross en autosport). Lawaai wordt gedefinieerd als: hard, onaangenaam geluid.
Gelet op het bovenstaande ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank een objectieve norm over wanneer sprake is van een lawaaisport in de zin van het bestemmingsplan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat padel geen lawaaisport is in de zin van het bestemmingsplan, omdat de voorbeelden in artikel 30.1, aanhef en onder c, van de planregel, en ook de voorbeelden in de Van Dale, zien op gemotoriseerde sporten. Padel is geen gemotoriseerde sport. Daarom past padel binnen de bestemming ‘sport’ die geldt op het onderhavige perceel en past het bouwplan binnen het bestemmingsplan.
Overige gronden
Op de zitting hebben eisers de beroepsgrond ingetrokken dat het bestreden besluit gebrekkig is omdat ten tijde van het primaire besluit geen akoestisch onderzoek was verricht. De andere gronden van eisers hebben betrekking op gestelde gebreken in het akoestisch onderzoek en het ontbreken van de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het geluid van de padelbanen.
Deze gronden slagen niet. Bij omgevingsvergunningen voor bouwen geldt het zogeheten ‘limitiatief-imperatief stelsel’. Ingevolge artikel 2.10 van de Wabo wordt een aanvraag alleen geweigerd als niet is voldaan aan één van de weigeringsgronden in dat artikel. Zoals de rechtbank heeft overwogen onder 6.2 past het bouwplan binnen het bestemmingsplan. Deze gronden van eisers zien op de ruimtelijke inpasbaarheid van het geluid van de padelbanen. De ruimtelijke inpasbaarheid van een bouwplan is alleen aan de orde als moet worden beoordeeld of sprake is van een goede ruimtelijke ordening in het kader van een afwijkingsvergunning van het bestemmingsplan. Omdat het bouwplan past binnen het bestemmingsplan is geen sprake van een afwijkingsvergunning en hoefde het college de ruimtelijke inpasbaarheid van het bouwplan niet te beoordelen. Omdat de overige weigeringsgronden in artikel 2.10 niet van toepassing waren, was het college gehouden de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.